Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: benijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: benijdend
Past participle - Verleden deelwoord: benijd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | benijd |
| jij | benijdt |
| hij | benijdt |
| wij | benijden |
| jullie | benijden |
| zij | benijden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb benijd |
| jij | hebt benijd |
| hij | heeft benijd |
| wij | hebben benijd |
| jullie | hebben benijd |
| zij | hebben benijd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | benijdde |
| jij | benijdde |
| hij | benijdde |
| wij | benijdden |
| jullie | benijdden |
| zij | benijdden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had benijd |
| jij | had benijd |
| hij | had benijd |
| wij | hadden benijd |
| jullie | hadden benijd |
| zij | hadden benijd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal benijden |
| jij | zult benijden |
| hij | zal benijden |
| wij | zullen benijden |
| jullie | zullen benijden |
| zij | zullen benijden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal benijd hebben |
| jij | zult benijd hebben |
| hij | zal benijd hebben |
| wij | zullen benijd hebben |
| jullie | zullen benijd hebben |
| zij | zullen benijd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou benijden |
| jij | zou benijden |
| hij | zou benijden |
| wij | zouden benijden |
| jullie | zouden benijden |
| zij | zouden benijden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou benijd hebben |
| jij | zou benijd hebben |
| hij | zou benijd hebben |
| wij | zouden benijd hebben |
| jullie | zouden benijd hebben |
| zij | zouden benijd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'benijden'
aanaarden,
aanbanden,
aanbelanden,
aanbloeden,
aanboorden,
aanbranden,
aanduiden,
aanlanden,
aanleiden,
aanmelden,
aanranden,
aanspelden,
aanspoeden,
aanvaarden,
aanwenden,
aanzanden,
afbeelden,
afgronden,
afleiden,
afmelden, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'benijden'
belijden,
bekijken,
bevinden,
bevrijden,
bewijzen,
snijden,
aanrijden,
afrijden,
afsnijden,
bedienen,
Translations
begrudge, be envious or covetous
envy, to feel displeasure towards (someone) because of their good fortune, possessions
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Ik was inderdaad buiten het bereik van de verzoekingen der wereld. Noch den lust des vleesches, noch den lust der oogen, noch de hoogmoed des levens had ik hier te duchten. Ik had niets te benijden, want al wat mij hier eenig genot kon verschaffen was in mijn bezit. Ik was heer van het geheele land, en kon mij keizer of koning van hetzelve noemen als ik het goed vond. Ik had geene mededingers, [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] dan ik hier kan zeggen, en waarvan ik hier melding maak, om dit te doen bedenken aan hen, die onvergenoegd zijn en niet rustig kunnen genieten wat God hun geschonken heeft, omdat zij datgene zien en benijden, wat Hij hun heeft onthouden. Al ons verdriet over hetgeen ons ontbreekt, schijnt mij toe te ontstaan uit gebrek aan dankbaarheid voor hetgeen wij bezitten.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch beniden. Equivalent to be- + nijden.
Additional Information