bitteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bitteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bitteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bitterend
Past participle - Verleden deelwoord: gebitterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbitter
jijbittert
hijbittert
wijbitteren
julliebitteren
zijbitteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebitterd
jijhebt gebitterd
hijheeft gebitterd
wijhebben gebitterd
julliehebben gebitterd
zijhebben gebitterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbitterde
jijbitterde
hijbitterde
wijbitterden
julliebitterden
zijbitterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebitterd
jijhad gebitterd
hijhad gebitterd
wijhadden gebitterd
julliehadden gebitterd
zijhadden gebitterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bitteren
jijzult bitteren
hijzal bitteren
wijzullen bitteren
julliezullen bitteren
zijzullen bitteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebitterd hebben
jijzult gebitterd hebben
hijzal gebitterd hebben
wijzullen gebitterd hebben
julliezullen gebitterd hebben
zijzullen gebitterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bitteren
jijzou bitteren
hijzou bitteren
wijzouden bitteren
julliezouden bitteren
zijzouden bitteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebitterd hebben
jijzou gebitterd hebben
hijzou gebitterd hebben
wijzouden gebitterd hebben
julliezouden gebitterd hebben
zijzouden gebitterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbitter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From bitter + -en.

Additional Information