loeven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of loeven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: loeven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: loevend
Past participle - Verleden deelwoord: geloefd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikloef
jijloeft
hijloeft
wijloeven
jullieloeven
zijloeven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geloefd
jijhebt geloefd
hijheeft geloefd
wijhebben geloefd
julliehebben geloefd
zijhebben geloefd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikloefde
jijloefde
hijloefde
wijloefden
jullieloefden
zijloefden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geloefd
jijhad geloefd
hijhad geloefd
wijhadden geloefd
julliehadden geloefd
zijhadden geloefd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal loeven
jijzult loeven
hijzal loeven
wijzullen loeven
julliezullen loeven
zijzullen loeven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geloefd hebben
jijzult geloefd hebben
hijzal geloefd hebben
wijzullen geloefd hebben
julliezullen geloefd hebben
zijzullen geloefd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou loeven
jijzou loeven
hijzou loeven
wijzouden loeven
julliezouden loeven
zijzouden loeven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geloefd hebben
jijzou geloefd hebben
hijzou geloefd hebben
wijzouden geloefd hebben
julliezouden geloefd hebben
zijzouden geloefd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijloef

Verbs similar to 'loeven'

hoeven, leven, loeien, loeken, loeren, loven, beven, bloeden, bloeien, boeien,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information