golven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of golven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: golven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: golvend
Past participle - Verleden deelwoord: gegolfd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgolf
jijgolft
hijgolft
wijgolven
julliegolven
zijgolven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegolfd
jijhebt gegolfd
hijheeft gegolfd
wijhebben gegolfd
julliehebben gegolfd
zijhebben gegolfd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgolfde
jijgolfde
hijgolfde
wijgolfden
julliegolfden
zijgolfden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegolfd
jijhad gegolfd
hijhad gegolfd
wijhadden gegolfd
julliehadden gegolfd
zijhadden gegolfd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal golven
jijzult golven
hijzal golven
wijzullen golven
julliezullen golven
zijzullen golven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegolfd hebben
jijzult gegolfd hebben
hijzal gegolfd hebben
wijzullen gegolfd hebben
julliezullen gegolfd hebben
zijzullen gegolfd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou golven
jijzou golven
hijzou golven
wijzouden golven
julliezouden golven
zijzouden golven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegolfd hebben
jijzou gegolfd hebben
hijzou gegolfd hebben
wijzouden gegolfd hebben
julliezouden gegolfd hebben
zijzouden gegolfd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgolf

Verbs similar to 'golven'

kolven, dalven, delven, dolen, dollen, doven, folen, gallen, garven, gelden,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

fluctueren
schommelen, wisselen

Sample Sentences

  • golvend haar: wavy hair

Etymology

Additional Information