loeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of loeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: loeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: loerend
Past participle - Verleden deelwoord: geloerd

Cognates

See the 7 cognates of loeren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikloer
jijloert
hijloert
wijloeren
jullieloeren
zijloeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geloerd
jijhebt geloerd
hijheeft geloerd
wijhebben geloerd
julliehebben geloerd
zijhebben geloerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikloerde
jijloerde
hijloerde
wijloerden
jullieloerden
zijloerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geloerd
jijhad geloerd
hijhad geloerd
wijhadden geloerd
julliehadden geloerd
zijhadden geloerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal loeren
jijzult loeren
hijzal loeren
wijzullen loeren
julliezullen loeren
zijzullen loeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geloerd hebben
jijzult geloerd hebben
hijzal geloerd hebben
wijzullen geloerd hebben
julliezullen geloerd hebben
zijzullen geloerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou loeren
jijzou loeren
hijzou loeren
wijzouden loeren
julliezouden loeren
zijzouden loeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geloerd hebben
jijzou geloerd hebben
hijzou geloerd hebben
wijzouden geloerd hebben
julliezouden geloerd hebben
zijzouden geloerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijloer

Translations

  • pry, to peer closely and curiously, especially at something closed or not public
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bespieden
    spieden, toezien, turen

    Sample Sentences

    • [...] niet twijfelende of ik zou er weldra een onder schot krijgen, gelijk ook spoedig het geval was. Want, nadat ik eenigzins hare gewone verblijfplaatsen op het spoor was gekomen, ging ik op haar loeren. Ik had bemerkt, dat, als zij mij in het dal zagen, al waren zij op de klippen, zij dan altijd verschrikt wegliepen, en dat, als ik op de klippen was, zij geen acht op mij sloegen. Ik besloot [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    With dialectal (eastern) -oe- from Middle Dutch luren (“to look sharp”), from Proto-Germanic *lūraną, of uncertain origin, but possibly from Proto-Indo-European *lewk- (“to see”), similar to loens (“cross-eyed”), Latin luscus (“half-blind”). Compare German lauern, English lour and lurk. See: German, old spelling 'lauern', English 'lour'.

    Verbs referencing "loeren"

    English lour, German, old spelling lauern, Plautdietsch luaren, Middle English louren.

    Additional Information