Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: loeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: loerend
Past participle - Verleden deelwoord: geloerd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | loer |
| jij | loert |
| hij | loert |
| wij | loeren |
| jullie | loeren |
| zij | loeren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geloerd |
| jij | hebt geloerd |
| hij | heeft geloerd |
| wij | hebben geloerd |
| jullie | hebben geloerd |
| zij | hebben geloerd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | loerde |
| jij | loerde |
| hij | loerde |
| wij | loerden |
| jullie | loerden |
| zij | loerden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geloerd |
| jij | had geloerd |
| hij | had geloerd |
| wij | hadden geloerd |
| jullie | hadden geloerd |
| zij | hadden geloerd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal loeren |
| jij | zult loeren |
| hij | zal loeren |
| wij | zullen loeren |
| jullie | zullen loeren |
| zij | zullen loeren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geloerd hebben |
| jij | zult geloerd hebben |
| hij | zal geloerd hebben |
| wij | zullen geloerd hebben |
| jullie | zullen geloerd hebben |
| zij | zullen geloerd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou loeren |
| jij | zou loeren |
| hij | zou loeren |
| wij | zouden loeren |
| jullie | zouden loeren |
| zij | zouden loeren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geloerd hebben |
| jij | zou geloerd hebben |
| hij | zou geloerd hebben |
| wij | zouden geloerd hebben |
| jullie | zouden geloerd hebben |
| zij | zouden geloerd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'loeren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'loeren'
boeren,
koeren,
leren,
lieren,
loeien,
loeken,
loeven,
logeren,
lojeren,
loteren,
Translations
pry, to peer closely and curiously, especially at something closed or not public
Sample Sentences
-
[...] niet twijfelende of ik zou er weldra een onder schot krijgen, gelijk ook spoedig het geval was. Want, nadat ik eenigzins hare gewone verblijfplaatsen op het spoor was gekomen, ging ik op haar loeren. Ik had bemerkt, dat, als zij mij in het dal zagen, al waren zij op de klippen, zij dan altijd verschrikt wegliepen, en dat, als ik op de klippen was, zij geen acht op mij sloegen. Ik besloot [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
With dialectal (eastern) -oe- from Middle Dutch luren (“to look sharp”), from Proto-Germanic *lūraną, of uncertain origin, but possibly from Proto-Indo-European *lewk- (“to see”), similar to loens (“cross-eyed”), Latin luscus (“half-blind”). Compare German lauern, English lour and lurk. See: German, old spelling '
lauern', English '
lour'.
Verbs referencing "loeren"
English
lour, German, old spelling
lauern, Plautdietsch
luaren, Middle English
louren.
Additional Information