loeken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of loeken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: loeken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: loekend
Past participle - Verleden deelwoord: geloekt

Cognates

See the 3 cognates of loeken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikloek
jijloekt
hijloekt
wijloeken
jullieloeken
zijloeken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geloekt
jijhebt geloekt
hijheeft geloekt
wijhebben geloekt
julliehebben geloekt
zijhebben geloekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikloekte
jijloekte
hijloekte
wijloekten
jullieloekten
zijloekten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geloekt
jijhad geloekt
hijhad geloekt
wijhadden geloekt
julliehadden geloekt
zijhadden geloekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal loeken
jijzult loeken
hijzal loeken
wijzullen loeken
julliezullen loeken
zijzullen loeken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geloekt hebben
jijzult geloekt hebben
hijzal geloekt hebben
wijzullen geloekt hebben
julliezullen geloekt hebben
zijzullen geloekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou loeken
jijzou loeken
hijzou loeken
wijzouden loeken
julliezouden loeken
zijzouden loeken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geloekt hebben
jijzou geloekt hebben
hijzou geloekt hebben
wijzouden geloekt hebben
julliezouden geloekt hebben
zijzouden geloekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijloek

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch loeken, lōken, from Old Dutch *luokon (“to look, stare, observe”), from Proto-West Germanic *lōkōn. See: Old Dutch '*luokon'.

Verbs referencing "loeken"

English look.

Additional Information