fuiven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fuiven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fuiven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fuivend
Past participle - Verleden deelwoord: gefuifd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfuif
jijfuift
hijfuift
wijfuiven
julliefuiven
zijfuiven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefuifd
jijhebt gefuifd
hijheeft gefuifd
wijhebben gefuifd
julliehebben gefuifd
zijhebben gefuifd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfuifde
jijfuifde
hijfuifde
wijfuifden
julliefuifden
zijfuifden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefuifd
jijhad gefuifd
hijhad gefuifd
wijhadden gefuifd
julliehadden gefuifd
zijhadden gefuifd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fuiven
jijzult fuiven
hijzal fuiven
wijzullen fuiven
julliezullen fuiven
zijzullen fuiven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefuifd hebben
jijzult gefuifd hebben
hijzal gefuifd hebben
wijzullen gefuifd hebben
julliezullen gefuifd hebben
zijzullen gefuifd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fuiven
jijzou fuiven
hijzou fuiven
wijzouden fuiven
julliezouden fuiven
zijzouden fuiven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefuifd hebben
jijzou gefuifd hebben
hijzou gefuifd hebben
wijzouden gefuifd hebben
julliezouden gefuifd hebben
zijzouden gefuifd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfuif

Verbs similar to 'fuiven'

kuiven, wuiven, buigen, duiden, duiken, durven, feilen, fluiten, fnuiken, fusten,

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

feesten
feestvieren
fêteren
trakteren

Sample Sentences

Etymology

From fuif.

Additional Information