zakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zakken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zakkend
Past participle - Verleden deelwoord: gezakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzak
jijzakt
hijzakt
wijzakken
julliezakken
zijzakken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezakt
jijhebt gezakt
hijheeft gezakt
wijhebben gezakt
julliehebben gezakt
zijhebben gezakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzakte
jijzakte
hijzakte
wijzakten
julliezakten
zijzakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezakt
jijhad gezakt
hijhad gezakt
wijhadden gezakt
julliehadden gezakt
zijhadden gezakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zakken
jijzult zakken
hijzal zakken
wijzullen zakken
julliezullen zakken
zijzullen zakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezakt hebben
jijzult gezakt hebben
hijzal gezakt hebben
wijzullen gezakt hebben
julliezullen gezakt hebben
zijzullen gezakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zakken
jijzou zakken
hijzou zakken
wijzouden zakken
julliezouden zakken
zijzouden zakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezakt hebben
jijzou gezakt hebben
hijzou gezakt hebben
wijzouden gezakt hebben
julliezouden gezakt hebben
zijzouden gezakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzak

Translations

  • fail, to fail
  • flunk, to fail
  • founder, to fail
  • sag, to cause to bend
  • subside, to fall downward; to become lower; to descend; to sink
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    dalen
    vallen, verminderen
    zijgen
    zinken

    Antonyms

    dalen
    stijgen, klimmen, omhooggaan, toenemen

    Sample Sentences

    • 16 April. Ik maakte de ladder af; klom met dezelve naar boven, haalde die achter mij op, en liet die van binnen zakken. Ik had thans een volkomen omheining voor mij; en van buiten kon men mij niet dan over den muur genaken. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch *sacken, from Old Dutch *sackon, from Proto-Germanic *sakkōną, further etymology unknown, perhaps from a denasalized derivative of *sinkwaną (“to sink”); compare English sag. According to Kluge, related to zak (“sack”). Found natively only in the West Germanic languages. See: Old Dutch '*sackon', English 'sag'.

    Verbs referencing "zakken"

    English sag, Norwegian sakke, Norwegian, nynorsk sakke.

    Additional Information