Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: bukken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bukkend
Past participle - Verleden deelwoord: gebukt
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | buk |
| jij | bukt |
| hij | bukt |
| wij | bukken |
| jullie | bukken |
| zij | bukken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gebukt |
| jij | hebt gebukt |
| hij | heeft gebukt |
| wij | hebben gebukt |
| jullie | hebben gebukt |
| zij | hebben gebukt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bukte |
| jij | bukte |
| hij | bukte |
| wij | bukten |
| jullie | bukten |
| zij | bukten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gebukt |
| jij | had gebukt |
| hij | had gebukt |
| wij | hadden gebukt |
| jullie | hadden gebukt |
| zij | hadden gebukt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bukken |
| jij | zult bukken |
| hij | zal bukken |
| wij | zullen bukken |
| jullie | zullen bukken |
| zij | zullen bukken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gebukt hebben |
| jij | zult gebukt hebben |
| hij | zal gebukt hebben |
| wij | zullen gebukt hebben |
| jullie | zullen gebukt hebben |
| zij | zullen gebukt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bukken |
| jij | zou bukken |
| hij | zou bukken |
| wij | zouden bukken |
| jullie | zouden bukken |
| zij | zouden bukken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gebukt hebben |
| jij | zou gebukt hebben |
| hij | zou gebukt hebben |
| wij | zouden gebukt hebben |
| jullie | zouden gebukt hebben |
| zij | zouden gebukt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'bukken'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'bukken'
bakken,
jukken,
lukken,
rukken,
beuken,
breken,
buigen,
dekken,
dokken,
drukken,
Translations
stoop, to bend the upper part of the body forward and downward
Sample Sentences
-
[...] voor in de boot was, stelde hij de zeilen. Daar ik aan het roer zat, liet ik het eene mijl in zee loopen, en draaide toen bij als om te visschen. Ik gaf daarop den jongen het roer, liep naar voren, bukte als om iets op te rapen, greep den Moor onverhoeds bij den gordel, en wierp hem over boord. Hij kwam bijkans op hetzelfde oogenblik boven, want hij zwom als een visch, en smeekte mij hem op te [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] zaten op den grond allen digt bij elkander, en hadden juist de twee anderen afgezonden om den armen Christen te slagten, en hem misschien aan stukken gehouwen, naar hun vuur te brengen, en zij bukten om de banden aan zijne voeten los te maken. Ik keerde mij tot Vrijdag. " Doe nu zoo als ik gelast heb, " zeide ik. Hij antwoordde van ja, en ik herhaalde: " Vrijdag, doe juist wat gij mij ziet doen, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch bucken, also bocken, from Old Dutch *bukken, from Proto-Germanic *bukkijaną, related to *beuganą (“to bend”).
Verbs referencing "bukken"
Luxembourgish
bécken.
Additional Information