dekken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dekken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dekken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dekkend
Past participle - Verleden deelwoord: gedekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdek
jijdekt
hijdekt
wijdekken
julliedekken
zijdekken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedekt
jijhebt gedekt
hijheeft gedekt
wijhebben gedekt
julliehebben gedekt
zijhebben gedekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdekte
jijdekte
hijdekte
wijdekten
julliedekten
zijdekten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedekt
jijhad gedekt
hijhad gedekt
wijhadden gedekt
julliehadden gedekt
zijhadden gedekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dekken
jijzult dekken
hijzal dekken
wijzullen dekken
julliezullen dekken
zijzullen dekken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedekt hebben
jijzult gedekt hebben
hijzal gedekt hebben
wijzullen gedekt hebben
julliezullen gedekt hebben
zijzullen gedekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dekken
jijzou dekken
hijzou dekken
wijzouden dekken
julliezouden dekken
zijzouden dekken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedekt hebben
jijzou gedekt hebben
hijzou gedekt hebben
wijzouden gedekt hebben
julliezouden gedekt hebben
zijzouden gedekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdek

Translations

  • cover, to conceal or protect
  • cover, provide enough money for
  • cover, protect by shooting
  • cover, copulate (of animals)
  • line, of a dog: impregnate
  • set, to arrange with dishes and cutlery
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bedekken
    beschutten, camoufleren, maskeren, overdekken, toedekken, verbergen
    afschermen
    beschermen, verdedigen
    vergoeden
    verzekeren, vrijwaren
    bespringen
    bevruchten, neuken, paren

    Sample Sentences

    • [...] en de streek jong hout, door mij geplant, en hier maakten wij hun twee bedden van hetgeen ik had, namelijk van rijsten stroo, met dekens er over om op te liggen, en op ieder bed een deken om hen te dekken. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch decken, from Old Dutch thecken, from Proto-West Germanic *þakkjan, from Proto-Germanic *þakjaną. Equivalent to dak (“roof”) + -en (“denominative”) and shows the effect of historical umlaut. See: Middle Dutch 'decken', Proto-Germanic '*þakjaną'.

    Verbs referencing "dekken"

    English thatch, German, old spelling decken, Luxembourgish decken, Danish tække.

    Additional Information