gakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gakken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gakkend
Past participle - Verleden deelwoord: gegakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgak
jijgakt
hijgakt
wijgakken
julliegakken
zijgakken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegakt
jijhebt gegakt
hijheeft gegakt
wijhebben gegakt
julliehebben gegakt
zijhebben gegakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgakte
jijgakte
hijgakte
wijgakten
julliegakten
zijgakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegakt
jijhad gegakt
hijhad gegakt
wijhadden gegakt
julliehadden gegakt
zijhadden gegakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gakken
jijzult gakken
hijzal gakken
wijzullen gakken
julliezullen gakken
zijzullen gakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegakt hebben
jijzult gegakt hebben
hijzal gegakt hebben
wijzullen gegakt hebben
julliezullen gegakt hebben
zijzullen gegakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gakken
jijzou gakken
hijzou gakken
wijzouden gakken
julliezouden gakken
zijzouden gakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegakt hebben
jijzou gegakt hebben
hijzou gegakt hebben
wijzouden gegakt hebben
julliezouden gegakt hebben
zijzouden gegakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgak

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

snateren
kwaken, kwekken

Sample Sentences

Etymology

Onomatopoeic.

Additional Information