aanplakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanplakken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanplakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanplakkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeplakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplak aan
jijplakt aan
hijplakt aan
wijplakken aan
jullieplakken aan
zijplakken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangeplakt
jijhebt aangeplakt
hijheeft aangeplakt
wijhebben aangeplakt
julliehebben aangeplakt
zijhebben aangeplakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplakte aan
jijplakte aan
hijplakte aan
wijplakten aan
jullieplakten aan
zijplakten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangeplakt
jijhad aangeplakt
hijhad aangeplakt
wijhadden aangeplakt
julliehadden aangeplakt
zijhadden aangeplakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanplakken
jijzult aanplakken
hijzal aanplakken
wijzullen aanplakken
julliezullen aanplakken
zijzullen aanplakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangeplakt hebben
jijzult aangeplakt hebben
hijzal aangeplakt hebben
wijzullen aangeplakt hebben
julliezullen aangeplakt hebben
zijzullen aangeplakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanplakken
jijzou aanplakken
hijzou aanplakken
wijzouden aanplakken
julliezouden aanplakken
zijzouden aanplakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangeplakt hebben
jijzou aangeplakt hebben
hijzou aangeplakt hebben
wijzouden aangeplakt hebben
julliezouden aangeplakt hebben
zijzouden aangeplakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplak aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • “(...) Zoo is het met mij gegaan, daar ik niet genomen heb wat mij beviel, wat ik beminde ; maar wat ik mij aanplakken, opdraaien en aanmakelen liet. (...)” (“(...) That is how it went for me, since I did not take what I liked, what I loved; but rather what I allowed to be palmed off on me, imposed on me and forced upon me. (...)”) [1865 November, F. W. Grimme, “Menschen maken 't zelder goed, beter, wat God zelve doet. Novelle”, in H. Sermon, transl., Noord en Zuid. Maandschrift voor Kunsten, letteren en wetenschappen, volume 4, page 481:]

Etymology

Compound of aan + plakken.

Additional Information