aanpakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanpakken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanpakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanpakkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangepakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpak aan
jijpakt aan
hijpakt aan
wijpakken aan
julliepakken aan
zijpakken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangepakt
jijhebt aangepakt
hijheeft aangepakt
wijhebben aangepakt
julliehebben aangepakt
zijhebben aangepakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpakte aan
jijpakte aan
hijpakte aan
wijpakten aan
julliepakten aan
zijpakten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangepakt
jijhad aangepakt
hijhad aangepakt
wijhadden aangepakt
julliehadden aangepakt
zijhadden aangepakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanpakken
jijzult aanpakken
hijzal aanpakken
wijzullen aanpakken
julliezullen aanpakken
zijzullen aanpakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangepakt hebben
jijzult aangepakt hebben
hijzal aangepakt hebben
wijzullen aangepakt hebben
julliezullen aangepakt hebben
zijzullen aangepakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanpakken
jijzou aanpakken
hijzou aanpakken
wijzouden aanpakken
julliezouden aanpakken
zijzouden aanpakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangepakt hebben
jijzou aangepakt hebben
hijzou aangepakt hebben
wijzouden aangepakt hebben
julliezouden aangepakt hebben
zijzouden aangepakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpak aan

Translations

  • handle, manage, control or direct
  • tackle, to face or deal with
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aangrijpen
    beroeren, ontroeren, treffen
    aannemen
    aanvatten
    aanvaarden
    aannemen
    aanvatten
    beetpakken, grijpen, vastpakken
    beginnen
    openen, opzetten, starten
    benaderen
    behandelen
    nemen
    aanvaarden, accepteren, innen
    ondernemen
    beginnen, wagen
    vatten
    beetpakken, grijpen

    Antonyms

    beginnen
    eindigen, ophouden, uitscheiden

    Sample Sentences

    Etymology

    From aan + pakken.

    Additional Information