fokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fokken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fokkend
Past participle - Verleden deelwoord: gefokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfok
jijfokt
hijfokt
wijfokken
julliefokken
zijfokken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefokt
jijhebt gefokt
hijheeft gefokt
wijhebben gefokt
julliehebben gefokt
zijhebben gefokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfokte
jijfokte
hijfokte
wijfokten
julliefokten
zijfokten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefokt
jijhad gefokt
hijhad gefokt
wijhadden gefokt
julliehadden gefokt
zijhadden gefokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fokken
jijzult fokken
hijzal fokken
wijzullen fokken
julliezullen fokken
zijzullen fokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefokt hebben
jijzult gefokt hebben
hijzal gefokt hebben
wijzullen gefokt hebben
julliezullen gefokt hebben
zijzullen gefokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fokken
jijzou fokken
hijzou fokken
wijzouden fokken
julliezouden fokken
zijzouden fokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefokt hebben
jijzou gefokt hebben
hijzou gefokt hebben
wijzouden gefokt hebben
julliezouden gefokt hebben
zijzouden gefokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfok

Translations

  • breed, to keep animals and have them reproduce
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aankweken
    kweken, telen

    Sample Sentences

    • [...] als te voren. Door haar zoo lang op te passen werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme dieren aan te fokken, ten einde voedsel van hen te hebben als mijn kruid op zou zijn. (Robinson Crusoe)
    • [...] over en zij begonnen tam te worden. En nu begreep ik dat als ik mij zelven met geitenvleesch wilde voeden, wanneer mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde rondom mijne woning zou kunnen laten weiden. Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest afgescheiden houden, want anders zouden [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch focken, vocken, from Old Dutch *fokken, possibly of Scandinavian/North Germanic origin (compare Norwegian fukka, Swedish fokka), ultimately from Proto-Germanic *fukkōną. Likely related to English fuck or German ficken. Doublet of fucken. See: Swedish 'fokka', Proto-Germanic '*fukkōną', English 'fuck', German, old spelling 'ficken'.

    Verbs referencing "fokken"

    Swedish focka, German, old spelling foppen, Luxembourgish fécken, Luxembourgish focken.

    Additional Information