wijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wijken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wijkend
Past participle - Verleden deelwoord: geweken

Cognates

See the 3 cognates of wijken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwijk
jijwijkt
hijwijkt
wijwijken
julliewijken
zijwijken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geweken
jijhebt geweken
hijheeft geweken
wijhebben geweken
julliehebben geweken
zijhebben geweken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikweek
jijweek
hijweek
wijweken
jullieweken
zijweken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geweken
jijhad geweken
hijhad geweken
wijhadden geweken
julliehadden geweken
zijhadden geweken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wijken
jijzult wijken
hijzal wijken
wijzullen wijken
julliezullen wijken
zijzullen wijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geweken hebben
jijzult geweken hebben
hijzal geweken hebben
wijzullen geweken hebben
julliezullen geweken hebben
zijzullen geweken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wijken
jijzou wijken
hijzou wijken
wijzouden wijken
julliezouden wijken
zijzouden wijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geweken hebben
jijzou geweken hebben
hijzou geweken hebben
wijzouden geweken hebben
julliezouden geweken hebben
zijzouden geweken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwijk

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

achteruitgaan
terugdeinzen, terugwijken
toegeven
zwichten

Sample Sentences

  • [...] dingen noodig had, die ik onmogelijk vervaardigen kon; als vooreerst vaten om het in te bewaren; die ik in spijt van al mijne pogingen nimmer kon maken, gelijk ik reeds gezegd heb, schoon ik het weken, zelfs maanden lang, doch vruchteloos, beproefde. Vervolgens had ik geen hop om het duurzaam te maken, noch gest, noch ketels om het in te koken, en toch, zoo al die schrik van de wilden niet [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch wiken, from Old Dutch *wīcan, from Proto-West Germanic *wīkwan, from Proto-Germanic *wīkwaną. See: Middle Dutch 'wiken', Proto-Germanic '*wīkwaną'.

Verbs referencing "wijken"

Cimbrian baichan, Luxembourgish wäichen.

Additional Information