bijten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bijten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bijten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bijtend
Past participle - Verleden deelwoord: gebeten

Cognates

See the 9 cognates of bijten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbijt
jijbijt
hijbijt
wijbijten
julliebijten
zijbijten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebeten
jijhebt gebeten
hijheeft gebeten
wijhebben gebeten
julliehebben gebeten
zijhebben gebeten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeet
jijbeet
hijbeet
wijbeten
julliebeten
zijbeten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebeten
jijhad gebeten
hijhad gebeten
wijhadden gebeten
julliehadden gebeten
zijhadden gebeten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bijten
jijzult bijten
hijzal bijten
wijzullen bijten
julliezullen bijten
zijzullen bijten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebeten hebben
jijzult gebeten hebben
hijzal gebeten hebben
wijzullen gebeten hebben
julliezullen gebeten hebben
zijzullen gebeten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bijten
jijzou bijten
hijzou bijten
wijzouden bijten
julliezouden bijten
zijzouden bijten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebeten hebben
jijzou gebeten hebben
hijzou gebeten hebben
wijzouden gebeten hebben
julliezouden gebeten hebben
zijzouden gebeten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbijt

Translations

  • bite, to cut into by clamping the teeth
  • bite, to attack with the teeth
  • bite, to bite a baited hook or other lure
  • savage, to attack with the teeth
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    branden
    irriteren, prikken

    Sample Sentences

    • Waarom heb je me gebeten? (Why did you bite me?)
    • Blaffende honden bijten niet. (Barking dogs seldom bite. (literally: Barking dogs don't bite.))

    Etymology

    From Middle Dutch biten, from Old Dutch *bītan, from Proto-West Germanic *bītan, from Proto-Germanic *bītaną, from Proto-Indo-European *bʰéydt (“to split”). See: Middle Dutch 'biten', Proto-Germanic '*bītaną', Proto-Indo-European '*bʰéydt'.

    Verbs referencing "bijten"

    English bite, Danish bide, German, old spelling beißen, Low Saxon bieten, Afrikaans byt, Wymysorys bajsa, Luxembourgish bäissen.

    Additional Information