kijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kijken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kijkend
Past participle - Verleden deelwoord: gekeken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkijk
jijkijkt
hijkijkt
wijkijken
julliekijken
zijkijken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekeken
jijhebt gekeken
hijheeft gekeken
wijhebben gekeken
julliehebben gekeken
zijhebben gekeken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkeek
jijkeek
hijkeek
wijkeken
julliekeken
zijkeken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekeken
jijhad gekeken
hijhad gekeken
wijhadden gekeken
julliehadden gekeken
zijhadden gekeken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kijken
jijzult kijken
hijzal kijken
wijzullen kijken
julliezullen kijken
zijzullen kijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekeken hebben
jijzult gekeken hebben
hijzal gekeken hebben
wijzullen gekeken hebben
julliezullen gekeken hebben
zijzullen gekeken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kijken
jijzou kijken
hijzou kijken
wijzouden kijken
julliezouden kijken
zijzouden kijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekeken hebben
jijzou gekeken hebben
hijzou gekeken hebben
wijzouden gekeken hebben
julliezouden gekeken hebben
zijzouden gekeken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkijk

Translations

  • look, to try to see
  • miss, to fail to understand
  • view, to look at
  • watch, to look at for a period of time
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    gluren
    staren, turen, zien
    bestuderen
    gadeslaan

    Sample Sentences

    • [...] hij het einde van den tak naderde, riep hij ons toe: " Nu zult gij een beer zien leeren dansen. " Hij begon dus den tak te schudden en er op te dansen, zoodat de beer begon te waggelen en achterom keek, alsof hij den aftogt wilde slaan, en wij ons van lagchen niet konden bedwingen. Maar Vrijdag had nog niet met hem gedaan; toen hij zag, dat hij stil stond, riep hij hem weder toe, alsof het beest [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch kiken, from Old Dutch *kīkan, from Proto-West Germanic *kīkan, from Proto-Germanic *kīkaną. See: Middle Dutch 'kiken', Proto-Germanic '*kīkaną'.

    Verbs referencing "kijken"

    English kick, Middle English kiken, English keek, Icelandic kíkja, German, old spelling kieken, German, old spelling gucken, Danish kigge, Frisian, Northern kiike.

    Additional Information