uitlaten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitlaten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitlaten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitlatend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgelaten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklaat uit
jijlaat uit
hijlaat uit
wijlaten uit
jullielaten uit
zijlaten uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgelaten
jijhebt uitgelaten
hijheeft uitgelaten
wijhebben uitgelaten
julliehebben uitgelaten
zijhebben uitgelaten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikliet uit
jijliet uit
hijliet uit
wijlieten uit
jullielieten uit
zijlieten uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgelaten
jijhad uitgelaten
hijhad uitgelaten
wijhadden uitgelaten
julliehadden uitgelaten
zijhadden uitgelaten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitlaten
jijzult uitlaten
hijzal uitlaten
wijzullen uitlaten
julliezullen uitlaten
zijzullen uitlaten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgelaten hebben
jijzult uitgelaten hebben
hijzal uitgelaten hebben
wijzullen uitgelaten hebben
julliezullen uitgelaten hebben
zijzullen uitgelaten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitlaten
jijzou uitlaten
hijzou uitlaten
wijzouden uitlaten
julliezouden uitlaten
zijzouden uitlaten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgelaten hebben
jijzou uitgelaten hebben
hijzou uitgelaten hebben
wijzouden uitgelaten hebben
julliezouden uitgelaten hebben
zijzouden uitgelaten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlaat uit

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

uiten
uitspreken

Sample Sentences

  • De gevangene werd eindelijk uitgelaten na jaren in de cel. (The prisoner was finally released after years in prison.)
  • Hij laat zijn hond elke ochtend in het park uit. (He walks his dog in the park every morning.)
  • Ze laat haar papegaai regelmatig uit, zodat hij kan vliegen. (She airs her parrot regularly, so he can fly.)
  • De eigenaar liet het paard in het veld uit. (The owner let the horse out into the field.)
  • De boze heks werd uitgelaten en bracht chaos in het dorp. (The angry witch was unleashed and brought chaos to the village.)
  • Hij liet zijn agressieve hond uit en de buurtbewoners waren bezorgd. (He let his aggressive dog loose and the neighbors were concerned.)
  • Ze moest haar rok uitlaten omdat het te kort was. (She had to lengthen her skirt because it was too short.)
  • Hij besloot om snoep te uitlaten om gezonder te eten. (He decided to abstain from candy to eat more healthily.)
  • Tijdens het debat liet hij zijn frustratie uit. (During the debate, he expressed himself his frustration.)

Etymology

From Middle Dutch utelaten. Equivalent to uit + laten.

Additional Information