losmaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of losmaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: losmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: losmakend
Past participle - Verleden deelwoord: losgemaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaak los
jijmaakt los
hijmaakt los
wijmaken los
julliemaken los
zijmaken los

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb losgemaakt
jijhebt losgemaakt
hijheeft losgemaakt
wijhebben losgemaakt
julliehebben losgemaakt
zijhebben losgemaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaakte los
jijmaakte los
hijmaakte los
wijmaakten los
julliemaakten los
zijmaakten los

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad losgemaakt
jijhad losgemaakt
hijhad losgemaakt
wijhadden losgemaakt
julliehadden losgemaakt
zijhadden losgemaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal losmaken
jijzult losmaken
hijzal losmaken
wijzullen losmaken
julliezullen losmaken
zijzullen losmaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal losgemaakt hebben
jijzult losgemaakt hebben
hijzal losgemaakt hebben
wijzullen losgemaakt hebben
julliezullen losgemaakt hebben
zijzullen losgemaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou losmaken
jijzou losmaken
hijzou losmaken
wijzouden losmaken
julliezouden losmaken
zijzouden losmaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou losgemaakt hebben
jijzou losgemaakt hebben
hijzou losgemaakt hebben
wijzouden losgemaakt hebben
julliezouden losgemaakt hebben
zijzouden losgemaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaak los

Translations

  • loosen, to make less tight
  • relax, to make something loose
  • undo, to unfasten
  • untie, to loosen, as something interlaced or knotted
  • untie, to free from fastening or from restraint
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • [...] sneed ik de gestrengelde biezen los, waarmede zij hem gebonden hadden; en wilde hem ophelpen; maar hij kon niet staan of spreken; maar kermde jammerlijk, meenende naar het schijnt, dat hij alleen losgemaakt werd om geslagt te worden. Toen Vrijdag er bij kwam, gelastte ik dezen hem zijne bevrijding bekend te maken, en mijne flesch uithalende, gaf ik den armen drommel een slok, hetwelk, met de tijding [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From los + maken.

    Additional Information