aanmaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanmaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanmakend
Past participle - Verleden deelwoord: aangemaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaak aan
jijmaakt aan
hijmaakt aan
wijmaken aan
julliemaken aan
zijmaken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangemaakt
jijhebt aangemaakt
hijheeft aangemaakt
wijhebben aangemaakt
julliehebben aangemaakt
zijhebben aangemaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaakte aan
jijmaakte aan
hijmaakte aan
wijmaakten aan
julliemaakten aan
zijmaakten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangemaakt
jijhad aangemaakt
hijhad aangemaakt
wijhadden aangemaakt
julliehadden aangemaakt
zijhadden aangemaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanmaken
jijzult aanmaken
hijzal aanmaken
wijzullen aanmaken
julliezullen aanmaken
zijzullen aanmaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangemaakt hebben
jijzult aangemaakt hebben
hijzal aangemaakt hebben
wijzullen aangemaakt hebben
julliezullen aangemaakt hebben
zijzullen aangemaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanmaken
jijzou aanmaken
hijzou aanmaken
wijzouden aanmaken
julliezouden aanmaken
zijzouden aanmaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangemaakt hebben
jijzou aangemaakt hebben
hijzou aangemaakt hebben
wijzouden aangemaakt hebben
julliezouden aangemaakt hebben
zijzouden aangemaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaak aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

fabriceren
produceren
gereedmaken
toebereiden
aanleggen
aansteken

Sample Sentences

  • [...] niet aan mijn wensch, van eene aarden pot te hebben om vloeistoffen in te bewaren, en die het vuur verdragen kon, hetgeen bij deze het geval niet was. Toen ik eenigen tijd daarna een groot vuur aangemaakt had, om mijn vleesch te braden, en het later wilde uitdooven, vond ik in het vuur een stuk van een mijner gebroken potten, dat zoo hard als een steen, en zoo rood als een tegel gebakken was. Dit [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] niet boven den heuvel kon uitzien, en zij mij volstrekt niet konden gewaar worden. Hier bespeurde ik met behulp van mijn kijker, dat zij niet minder dan vijfendertig in getal waren, dat zij een vuur aangemaakt en vleesch toebereid hadden; hoe zij het braadden of wat het was, wist ik niet; maar zij dansten allen met allerlei zonderlinge en barbaarsche gebaren rondom het vuur. (Robinson Crusoe)

Etymology

From aan + maken.

Additional Information