dopen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dopen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dopend
Past participle - Verleden deelwoord: gedoopt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdoop
jijdoopt
hijdoopt
wijdopen
julliedopen
zijdopen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedoopt
jijhebt gedoopt
hijheeft gedoopt
wijhebben gedoopt
julliehebben gedoopt
zijhebben gedoopt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdoopte
jijdoopte
hijdoopte
wijdoopten
julliedoopten
zijdoopten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedoopt
jijhad gedoopt
hijhad gedoopt
wijhadden gedoopt
julliehadden gedoopt
zijhadden gedoopt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dopen
jijzult dopen
hijzal dopen
wijzullen dopen
julliezullen dopen
zijzullen dopen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedoopt hebben
jijzult gedoopt hebben
hijzal gedoopt hebben
wijzullen gedoopt hebben
julliezullen gedoopt hebben
zijzullen gedoopt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dopen
jijzou dopen
hijzou dopen
wijzouden dopen
julliezouden dopen
zijzouden dopen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedoopt hebben
jijzou gedoopt hebben
hijzou gedoopt hebben
wijzouden gedoopt hebben
julliezouden gedoopt hebben
zijzouden gedoopt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdoop

Verbs similar to 'dopen'

doden, doen, dogen, dolen, doven, kopen, lopen, nopen, bomen, dalen,

Translations

  • baptize, To perform the Christian sacrament of baptism
  • christen, to perform the religious act of baptism
  • frosh, to initiate academic freshmen
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    dompelen
    drenken, soppen

    Sample Sentences

    • [...] gered had. Ik leerde hem daarop meester zeggen, en wees hem dat ik dit was, en leerde hem ja en neen zeggen, en wat dit beduidde. Ik gaf hem melk in een aarden schotel, nadat ik er mijn brood in gedoopt had, en gaf hem een stuk brood om mij dit na te doen, hetgeen hij spoedig begreep en mij door teekens beduidde, dat hij dit zeer smakelijk vond. Ik hield hem den geheelen nacht bij mij, en zoodra [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch dôpen, from Old Dutch dōpen, from Proto-West Germanic *daupijan, from Proto-Germanic *daupijaną. See: Proto-Germanic '*daupijaną'.

    Verbs referencing "dopen"

    English dope, German, old spelling taufen, Italian tuffare, Luxembourgish deefen, Low Saxon döpen, German, Pennsylvania daafe.

    Additional Information