ontstelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ontstelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ontstelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontstelend
Past participle - Verleden deelwoord: ontstolen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikontsteel
jijontsteelt
hijontsteelt
wijontstelen
jullieontstelen
zijontstelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ontstolen
jijhebt ontstolen
hijheeft ontstolen
wijhebben ontstolen
julliehebben ontstolen
zijhebben ontstolen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikontstal
jijontstal
hijontstal
wijontstalen
jullieontstalen
zijontstalen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ontstolen
jijhad ontstolen
hijhad ontstolen
wijhadden ontstolen
julliehadden ontstolen
zijhadden ontstolen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ontstelen
jijzult ontstelen
hijzal ontstelen
wijzullen ontstelen
julliezullen ontstelen
zijzullen ontstelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ontstolen hebben
jijzult ontstolen hebben
hijzal ontstolen hebben
wijzullen ontstolen hebben
julliezullen ontstolen hebben
zijzullen ontstolen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ontstelen
jijzou ontstelen
hijzou ontstelen
wijzouden ontstelen
julliezouden ontstelen
zijzouden ontstelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ontstolen hebben
jijzou ontstolen hebben
hijzou ontstolen hebben
wijzouden ontstolen hebben
julliezouden ontstolen hebben
zijzouden ontstolen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijontsteel

Translations

  • stem, to remove the stem from
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From ont- + stelen.

    Additional Information