Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: kraken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: krakend
Past participle - Verleden deelwoord: gekraakt
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | kraak |
| jij | kraakt |
| hij | kraakt |
| wij | kraken |
| jullie | kraken |
| zij | kraken |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gekraakt |
| jij | hebt gekraakt |
| hij | heeft gekraakt |
| wij | hebben gekraakt |
| jullie | hebben gekraakt |
| zij | hebben gekraakt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | kraakte |
| jij | kraakte |
| hij | kraakte |
| wij | kraakten |
| jullie | kraakten |
| zij | kraakten |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gekraakt |
| jij | had gekraakt |
| hij | had gekraakt |
| wij | hadden gekraakt |
| jullie | hadden gekraakt |
| zij | hadden gekraakt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal kraken |
| jij | zult kraken |
| hij | zal kraken |
| wij | zullen kraken |
| jullie | zullen kraken |
| zij | zullen kraken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gekraakt hebben |
| jij | zult gekraakt hebben |
| hij | zal gekraakt hebben |
| wij | zullen gekraakt hebben |
| jullie | zullen gekraakt hebben |
| zij | zullen gekraakt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou kraken |
| jij | zou kraken |
| hij | zou kraken |
| wij | zouden kraken |
| jullie | zouden kraken |
| zij | zouden kraken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gekraakt hebben |
| jij | zou gekraakt hebben |
| hij | zou gekraakt hebben |
| wij | zouden gekraakt hebben |
| jullie | zouden gekraakt hebben |
| zij | zouden gekraakt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'kraken'
aanbleken,
aanhaken,
aankweken,
aanmaken,
aanpreken,
aanraken,
aansmeken,
aanstoken,
afhaken,
afkraken,
afmaken,
afpreken,
bekendmaken,
bewaken,
dichtmaken,
dopen,
gapen,
geraken,
inmaken,
inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'kraken'
kaken,
kralen,
kwaken,
raken,
afkraken,
braden,
breken,
dragen,
draven,
geraken,
Translations
crack, to form cracks
crack, to break apart under pressure
crack, to become debilitated by psychological pressure
crackle, make a fizzing sound
shell, to remove the outer covering or shell of something
squat, to occupy without permission
Sample Sentences
-
[...] ook allerverbazendst was. De aarde kwam van den zolder, van mijn kelder en van de zijde van den heuvel over mijn hoofd rollen, en twee van de stijlen, die ik in den kelder overeinde had gezet, kraakten allerhevigst. Ik was ernstig geschrikt, maar dacht volstrekt niet aan de ware oorzaak; alleenlijk begreep ik, dat de zolder van mijn kelder instortte, gelijk vroeger nog eens gebeurd was. Uit vrees [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch crāken, from Old Dutch *krakon, from Proto-West Germanic *krakōn. The sense "to support a sports team or sportsperson" is a semantic loan from Sranan Tongo kraka (“to support (with a wedge)”). See: Old Dutch '*krakon'.
Verbs referencing "kraken"
English
crack, Swedish
kräkas, German, old spelling
krachen, German, old spelling
krakeelen, Luxembourgish
kraachen.
Additional Information