kraken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kraken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kraken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: krakend
Past participle - Verleden deelwoord: gekraakt

Cognates

See the 4 cognates of kraken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkraak
jijkraakt
hijkraakt
wijkraken
julliekraken
zijkraken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekraakt
jijhebt gekraakt
hijheeft gekraakt
wijhebben gekraakt
julliehebben gekraakt
zijhebben gekraakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkraakte
jijkraakte
hijkraakte
wijkraakten
julliekraakten
zijkraakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekraakt
jijhad gekraakt
hijhad gekraakt
wijhadden gekraakt
julliehadden gekraakt
zijhadden gekraakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kraken
jijzult kraken
hijzal kraken
wijzullen kraken
julliezullen kraken
zijzullen kraken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekraakt hebben
jijzult gekraakt hebben
hijzal gekraakt hebben
wijzullen gekraakt hebben
julliezullen gekraakt hebben
zijzullen gekraakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kraken
jijzou kraken
hijzou kraken
wijzouden kraken
julliezouden kraken
zijzouden kraken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekraakt hebben
jijzou gekraakt hebben
hijzou gekraakt hebben
wijzouden gekraakt hebben
julliezouden gekraakt hebben
zijzouden gekraakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkraak

Verbs similar to 'kraken'

kaken, kralen, kwaken, raken, afkraken, braden, breken, dragen, draven, geraken,

Translations

  • crack, to form cracks
  • crack, to break apart under pressure
  • crack, to become debilitated by psychological pressure
  • crackle, make a fizzing sound
  • shell, to remove the outer covering or shell of something
  • squat, to occupy without permission
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    kermen
    knarsen, piepen
    binnendringen
    inbreken, openbreken, openmaken
    afbreken
    afkammen, afkraken

    Antonyms

    afbreken
    opbouwen, bouwen, construeren, optrekken

    Sample Sentences

    • [...] ook allerverbazendst was. De aarde kwam van den zolder, van mijn kelder en van de zijde van den heuvel over mijn hoofd rollen, en twee van de stijlen, die ik in den kelder overeinde had gezet, kraakten allerhevigst. Ik was ernstig geschrikt, maar dacht volstrekt niet aan de ware oorzaak; alleenlijk begreep ik, dat de zolder van mijn kelder instortte, gelijk vroeger nog eens gebeurd was. Uit vrees [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch crāken, from Old Dutch *krakon, from Proto-West Germanic *krakōn. The sense "to support a sports team or sportsperson" is a semantic loan from Sranan Tongo kraka (“to support (with a wedge)”). See: Old Dutch '*krakon'.

    Verbs referencing "kraken"

    English crack, Swedish kräkas, German, old spelling krachen, German, old spelling krakeelen, Luxembourgish kraachen.

    Additional Information