knarsen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of knarsen

The word "knarsen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: knarsen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: knarsend
Past participle - Verleden deelwoord: geknarst

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikknars
jijknarst
hijknarst
wijknarsen
jullieknarsen
zijknarsen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geknarst
jijhebt geknarst
hijheeft geknarst
wijhebben geknarst
julliehebben geknarst
zijhebben geknarst

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikknarste
jijknarste
hijknarste
wijknarsten
jullieknarsten
zijknarsten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geknarst
jijhad geknarst
hijhad geknarst
wijhadden geknarst
julliehadden geknarst
zijhadden geknarst

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal knarsen
jijzult knarsen
hijzal knarsen
wijzullen knarsen
julliezullen knarsen
zijzullen knarsen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geknarst hebben
jijzult geknarst hebben
hijzal geknarst hebben
wijzullen geknarst hebben
julliezullen geknarst hebben
zijzullen geknarst hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou knarsen
jijzou knarsen
hijzou knarsen
wijzouden knarsen
julliezouden knarsen
zijzouden knarsen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geknarst hebben
jijzou geknarst hebben
hijzou geknarst hebben
wijzouden geknarst hebben
julliezouden geknarst hebben
zijzouden geknarst hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijknars

Verbs similar to 'knarsen'

Translations

  • double, to clench
  • grit, to clench
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Met je tanden knarsen in je slaap geeft een naar geluid en is slecht voor je gebit.: Grinding your teeth in your sleep lets out an unpleasant noise and is bad for your denture.

    Etymology

    From Middle Dutch knersen; ultimately onomatopoeic.

    Verbs referencing "knarsen"

    German, old spelling knirschen.

    Additional Information