genezen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of genezen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: genezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: genezend
Past participle - Verleden deelwoord: genezen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgenees
jijgeneest
hijgeneest
wijgenezen
julliegenezen
zijgenezen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb genezen
jijhebt genezen
hijheeft genezen
wijhebben genezen
julliehebben genezen
zijhebben genezen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgenas
jijgenas
hijgenas
wijgenazen
julliegenazen
zijgenazen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad genezen
jijhad genezen
hijhad genezen
wijhadden genezen
julliehadden genezen
zijhadden genezen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal genezen
jijzult genezen
hijzal genezen
wijzullen genezen
julliezullen genezen
zijzullen genezen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal genezen hebben
jijzult genezen hebben
hijzal genezen hebben
wijzullen genezen hebben
julliezullen genezen hebben
zijzullen genezen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou genezen
jijzou genezen
hijzou genezen
wijzouden genezen
julliezouden genezen
zijzouden genezen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou genezen hebben
jijzou genezen hebben
hijzou genezen hebben
wijzouden genezen hebben
julliezouden genezen hebben
zijzouden genezen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgenees

Verbs conjugated like 'genezen'

genezen, lezen, voorlezen,

Translations

  • cure, to restore to health
  • cure, to bring (a disease) to an end
  • heal, make better
  • recover, intransitive: to get better, regain health
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aankomen
    herstellen
    helen
    beteren
    helpen
    redden

    Antonyms

    aankomen
    afvallen, afslanken, lijnen, vermageren

    Sample Sentences

    • NB. Ik droeg zooveel zorg voor haar, dat zij in leven bleef, en de poot genas en werd zoo goed als te voren. Door haar zoo lang op te passen werd zij tam, en leefde van het weinige gras voor mijne deur, en wilde niet weder weg. Dit deed mij voor het eerst denken eenige tamme [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] geschikt zijn, en dat van al wat wij bijeenschrapen, om anderen te geven, wij zoo veel genieten als wij gebruiken kunnen en meer niet. De schraapzuchtigste vrek der wereld zou van zijne gierigheid genezen zijn geworden, als hij in mijn toestand ware geweest, want ik bezat oneindig meer dan ik wist te gebruiken. Ik had niets te verlangen, dan eenige beuzelingen, die ik niet bezat, maar die mij van [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] dan dat het mij niet toegelaten was te doen, hetgeen ik thans als niet minder dan moedwilligen doodslag beschouwde, en ik dankte God op mijne knieën, dat Hij mij aldus van mijn bloeddorst had genezen; smeekte om zijne bescherming, dat ik niet in hunne handen mogt vallen, of de hand aan hen slaan, ten ware de Hemel mij dit duidelijk en ter verdediging van mijn eigen leven aanwees. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch genesen, from Old Dutch *ginesan, from Proto-Germanic *ganesaną, in which the Proto-Germanic *ga- prefix indicates completeness (perfectivity), and the Proto-Indo-European *nes- (“to return home”) recovery. The now-obsolete verb generen (“to provide for oneself”) is also derived from this root, as is nering. See: Proto-Germanic '*ganesaną'.

    Additional Information