afvallen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afvallen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afvallen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afvallend
Past participle - Verleden deelwoord: afgevallen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikval af
jijvalt af
hijvalt af
wijvallen af
jullievallen af
zijvallen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgevallen
jijhebt afgevallen
hijheeft afgevallen
wijhebben afgevallen
julliehebben afgevallen
zijhebben afgevallen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikviel af
jijviel af
hijviel af
wijvielen af
jullievielen af
zijvielen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgevallen
jijhad afgevallen
hijhad afgevallen
wijhadden afgevallen
julliehadden afgevallen
zijhadden afgevallen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afvallen
jijzult afvallen
hijzal afvallen
wijzullen afvallen
julliezullen afvallen
zijzullen afvallen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgevallen hebben
jijzult afgevallen hebben
hijzal afgevallen hebben
wijzullen afgevallen hebben
julliezullen afgevallen hebben
zijzullen afgevallen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afvallen
jijzou afvallen
hijzou afvallen
wijzouden afvallen
julliezouden afvallen
zijzouden afvallen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgevallen hebben
jijzou afgevallen hebben
hijzou afgevallen hebben
wijzouden afgevallen hebben
julliezouden afgevallen hebben
zijzouden afgevallen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijval af

Translations

  • abscise, botany: shed off
  • lose, shed (weight)
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afslanken
    lijnen, vermageren

    Sample Sentences

    • [...] de boot te zeilen, want schoon hij zeer goed eene kanoe wist te roeijen, begreep hij van zeil en roer niets en stond niet weinig verbaasd toen hij mij mijne boot bij den wind zag brengen, en weder afvallen, door behulp van mijn roer, en hoe het zeil over dezen of dien boeg vol stond, naarmate ik van koers veranderde. Toen hij, zeg ik, dit zag, stond hij van verbazing verstomd, weldra echter geraakte [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afvallen. Equivalent to af + vallen.

    Verbs referencing "afvallen"

    German, old spelling abfallen.

    Additional Information