generen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of generen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: generen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: generend
Past participle - Verleden deelwoord: geneerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgeneer
jijgeneert
hijgeneert
wijgeneren
julliegeneren
zijgeneren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geneerd
jijhebt geneerd
hijheeft geneerd
wijhebben geneerd
julliehebben geneerd
zijhebben geneerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgeneerde
jijgeneerde
hijgeneerde
wijgeneerden
julliegeneerden
zijgeneerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geneerd
jijhad geneerd
hijhad geneerd
wijhadden geneerd
julliehadden geneerd
zijhadden geneerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal generen
jijzult generen
hijzal generen
wijzullen generen
julliezullen generen
zijzullen generen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geneerd hebben
jijzult geneerd hebben
hijzal geneerd hebben
wijzullen geneerd hebben
julliezullen geneerd hebben
zijzullen geneerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou generen
jijzou generen
hijzou generen
wijzouden generen
julliezouden generen
zijzouden generen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geneerd hebben
jijzou geneerd hebben
hijzou geneerd hebben
wijzouden geneerd hebben
julliezouden geneerd hebben
zijzouden geneerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgeneer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hij geneert zich vanwege zijn vervelende broer. (He feels embarrassed because of his annoying brother.)

Etymology

From French gêner. See: French 'gêner'.

Verbs referencing "generen"

German, old spelling nähren.

Additional Information