geselen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of geselen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: geselen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: geselend
Past participle - Verleden deelwoord: gegeseld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgesel
jijgeselt
hijgeselt
wijgeselen
julliegeselen
zijgeselen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegeseld
jijhebt gegeseld
hijheeft gegeseld
wijhebben gegeseld
julliehebben gegeseld
zijhebben gegeseld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgeselde
jijgeselde
hijgeselde
wijgeselden
julliegeselden
zijgeselden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegeseld
jijhad gegeseld
hijhad gegeseld
wijhadden gegeseld
julliehadden gegeseld
zijhadden gegeseld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal geselen
jijzult geselen
hijzal geselen
wijzullen geselen
julliezullen geselen
zijzullen geselen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegeseld hebben
jijzult gegeseld hebben
hijzal gegeseld hebben
wijzullen gegeseld hebben
julliezullen gegeseld hebben
zijzullen gegeseld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou geselen
jijzou geselen
hijzou geselen
wijzouden geselen
julliezouden geselen
zijzouden geselen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegeseld hebben
jijzou gegeseld hebben
hijzou gegeseld hebben
wijzouden gegeseld hebben
julliezouden gegeseld hebben
zijzouden gegeseld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgesel

Translations

  • flog, to whip or scourge as punishment
  • scourge, to strike with a scourge
  • whip, to hit with a whip
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch geselen. Equivalent to gesel (“a scourge”) + -en.

    Additional Information