soppen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of soppen

The word "soppen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: soppen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: soppend
Past participle - Verleden deelwoord: gesopt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksop
jijsopt
hijsopt
wijsoppen
julliesoppen
zijsoppen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesopt
jijhebt gesopt
hijheeft gesopt
wijhebben gesopt
julliehebben gesopt
zijhebben gesopt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksopte
jijsopte
hijsopte
wijsopten
julliesopten
zijsopten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesopt
jijhad gesopt
hijhad gesopt
wijhadden gesopt
julliehadden gesopt
zijhadden gesopt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal soppen
jijzult soppen
hijzal soppen
wijzullen soppen
julliezullen soppen
zijzullen soppen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesopt hebben
jijzult gesopt hebben
hijzal gesopt hebben
wijzullen gesopt hebben
julliezullen gesopt hebben
zijzullen gesopt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou soppen
jijzou soppen
hijzou soppen
wijzouden soppen
julliezouden soppen
zijzouden soppen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesopt hebben
jijzou gesopt hebben
hijzou gesopt hebben
wijzouden gesopt hebben
julliezouden gesopt hebben
zijzouden gesopt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsop

Translations

  • lather, to cover with lather
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information