bomen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bomen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bomen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bomend
Past participle - Verleden deelwoord: geboomd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikboom
jijboomt
hijboomt
wijbomen
julliebomen
zijbomen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geboomd
jijhebt geboomd
hijheeft geboomd
wijhebben geboomd
julliehebben geboomd
zijhebben geboomd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboomde
jijboomde
hijboomde
wijboomden
jullieboomden
zijboomden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geboomd
jijhad geboomd
hijhad geboomd
wijhadden geboomd
julliehadden geboomd
zijhadden geboomd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bomen
jijzult bomen
hijzal bomen
wijzullen bomen
julliezullen bomen
zijzullen bomen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geboomd hebben
jijzult geboomd hebben
hijzal geboomd hebben
wijzullen geboomd hebben
julliezullen geboomd hebben
zijzullen geboomd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bomen
jijzou bomen
hijzou bomen
wijzouden bomen
julliezouden bomen
zijzouden bomen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geboomd hebben
jijzou geboomd hebben
hijzou geboomd hebben
wijzouden geboomd hebben
julliezouden geboomd hebben
zijzouden geboomd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijboom

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

keuvelen
babbelen, klessebessen, kletsen

Sample Sentences

Etymology

From boom + -en. Doublet of beamen.

Additional Information