slopen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of slopen

The word "slopen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: slopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: slopend
Past participle - Verleden deelwoord: gesloopt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksloop
jijsloopt
hijsloopt
wijslopen
jullieslopen
zijslopen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesloopt
jijhebt gesloopt
hijheeft gesloopt
wijhebben gesloopt
julliehebben gesloopt
zijhebben gesloopt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksloopte
jijsloopte
hijsloopte
wijsloopten
julliesloopten
zijsloopten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesloopt
jijhad gesloopt
hijhad gesloopt
wijhadden gesloopt
julliehadden gesloopt
zijhadden gesloopt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal slopen
jijzult slopen
hijzal slopen
wijzullen slopen
julliezullen slopen
zijzullen slopen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesloopt hebben
jijzult gesloopt hebben
hijzal gesloopt hebben
wijzullen gesloopt hebben
julliezullen gesloopt hebben
zijzullen gesloopt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou slopen
jijzou slopen
hijzou slopen
wijzouden slopen
julliezouden slopen
zijzouden slopen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesloopt hebben
jijzou gesloopt hebben
hijzou gesloopt hebben
wijzouden gesloopt hebben
julliezouden gesloopt hebben
zijzouden gesloopt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsloop

Verbs similar to 'slopen'

Translations

  • abolish, to destroy
  • dash, to destroy
  • demolish, to destroy
  • destroy, to damage beyond use or repair
  • destruct, to cause the destruction of
  • nix, to destroy
  • ruin, to destroy
  • waste, to destroy
  • wreck, to cause severe damage
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Dat gebouw wordt overmorgen gesloopt. (That building is being demolished the day after tomorrow.)
    • Ze hebben hem met honkbalknuppels gesloopt. (They wasted him with baseball bats.)
    • Hij was wekenlang compleet gesloopt na de marathon. (He was utterly exhausted for weeks following the marathon.)

    Etymology

    From Middle Dutch slôpen, from Old Dutch *slōpen, from Proto-Germanic *slaupijaną. See: Proto-Germanic '*slaupijaną'.

    Additional Information