adstrueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of adstrueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: adstrueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: adstruerend
Past participle - Verleden deelwoord: geadstrueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikadstrueer
jijadstrueert
hijadstrueert
wijadstrueren
jullieadstrueren
zijadstrueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geadstrueerd
jijhebt geadstrueerd
hijheeft geadstrueerd
wijhebben geadstrueerd
julliehebben geadstrueerd
zijhebben geadstrueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikadstrueerde
jijadstrueerde
hijadstrueerde
wijadstrueerden
jullieadstrueerden
zijadstrueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geadstrueerd
jijhad geadstrueerd
hijhad geadstrueerd
wijhadden geadstrueerd
julliehadden geadstrueerd
zijhadden geadstrueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal adstrueren
jijzult adstrueren
hijzal adstrueren
wijzullen adstrueren
julliezullen adstrueren
zijzullen adstrueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geadstrueerd hebben
jijzult geadstrueerd hebben
hijzal geadstrueerd hebben
wijzullen geadstrueerd hebben
julliezullen geadstrueerd hebben
zijzullen geadstrueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou adstrueren
jijzou adstrueren
hijzou adstrueren
wijzouden adstrueren
julliezouden adstrueren
zijzouden adstrueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geadstrueerd hebben
jijzou geadstrueerd hebben
hijzou geadstrueerd hebben
wijzouden geadstrueerd hebben
julliezouden geadstrueerd hebben
zijzouden geadstrueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijadstrueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bewijzen
hardmaken, staven, toelichten

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Latin adstruō. See: Latin 'adstruō'.

Additional Information