kapotslaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kapotslaan

The word "kapotslaan" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kapotslaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kapotslaand
Past participle - Verleden deelwoord: gekapotslagen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkapotsla
jijkapotslaat
hijkapotslaat
wijkapotslaan
julliekapotslaan
zijkapotslaan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekapotslagen
jijhebt gekapotslagen
hijheeft gekapotslagen
wijhebben gekapotslagen
julliehebben gekapotslagen
zijhebben gekapotslagen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkapotsloeg
jijkapotsloeg
hijkapotsloeg
wijkapotsloegen
julliekapotsloegen
zijkapotsloegen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekapotslagen
jijhad gekapotslagen
hijhad gekapotslagen
wijhadden gekapotslagen
julliehadden gekapotslagen
zijhadden gekapotslagen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kapotslaan
jijzult kapotslaan
hijzal kapotslaan
wijzullen kapotslaan
julliezullen kapotslaan
zijzullen kapotslaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekapotslagen hebben
jijzult gekapotslagen hebben
hijzal gekapotslagen hebben
wijzullen gekapotslagen hebben
julliezullen gekapotslagen hebben
zijzullen gekapotslagen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kapotslaan
jijzou kapotslaan
hijzou kapotslaan
wijzouden kapotslaan
julliezouden kapotslaan
zijzouden kapotslaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekapotslagen hebben
jijzou gekapotslagen hebben
hijzou gekapotslagen hebben
wijzouden gekapotslagen hebben
julliezouden gekapotslagen hebben
zijzouden gekapotslagen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkapotsla

Verbs similar to 'kapotslaan'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hij zag de kwajongens het bushokje kapotslaan. (He saw the rascals smashing the bus shelter.)
  • Als je me aanraakt komt mijn vader je helemaal kapotslaan. (If you touch me, my father will come and beat you to a pulp.)
  • Het bootje is door de zware branding kapotgeslagen. (The boat was broken by the heavy surf.)

Etymology

From kapot + slaan.

Additional Information