fingeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fingeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fingeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fingerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefingeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfingeer
jijfingeert
hijfingeert
wijfingeren
julliefingeren
zijfingeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefingeerd
jijhebt gefingeerd
hijheeft gefingeerd
wijhebben gefingeerd
julliehebben gefingeerd
zijhebben gefingeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfingeerde
jijfingeerde
hijfingeerde
wijfingeerden
julliefingeerden
zijfingeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefingeerd
jijhad gefingeerd
hijhad gefingeerd
wijhadden gefingeerd
julliehadden gefingeerd
zijhadden gefingeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fingeren
jijzult fingeren
hijzal fingeren
wijzullen fingeren
julliezullen fingeren
zijzullen fingeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefingeerd hebben
jijzult gefingeerd hebben
hijzal gefingeerd hebben
wijzullen gefingeerd hebben
julliezullen gefingeerd hebben
zijzullen gefingeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fingeren
jijzou fingeren
hijzou fingeren
wijzouden fingeren
julliezouden fingeren
zijzouden fingeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefingeerd hebben
jijzou gefingeerd hebben
hijzou gefingeerd hebben
wijzouden gefingeerd hebben
julliezouden gefingeerd hebben
zijzouden gefingeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfingeer

Translations

  • feign, to make a false show
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bedenken
    fantaseren, simuleren, verzinnen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch fingeren, fingieren, from Latin fingere. Doublet of veinzen. See: Latin 'fingō'.

    Additional Information