abduceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of abduceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: abduceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: abducerend
Past participle - Verleden deelwoord: geabduceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikabduceer
jijabduceert
hijabduceert
wijabduceren
jullieabduceren
zijabduceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geabduceerd
jijhebt geabduceerd
hijheeft geabduceerd
wijhebben geabduceerd
julliehebben geabduceerd
zijhebben geabduceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikabduceerde
jijabduceerde
hijabduceerde
wijabduceerden
jullieabduceerden
zijabduceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geabduceerd
jijhad geabduceerd
hijhad geabduceerd
wijhadden geabduceerd
julliehadden geabduceerd
zijhadden geabduceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal abduceren
jijzult abduceren
hijzal abduceren
wijzullen abduceren
julliezullen abduceren
zijzullen abduceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geabduceerd hebben
jijzult geabduceerd hebben
hijzal geabduceerd hebben
wijzullen geabduceerd hebben
julliezullen geabduceerd hebben
zijzullen geabduceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou abduceren
jijzou abduceren
hijzou abduceren
wijzouden abduceren
julliezouden abduceren
zijzouden abduceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geabduceerd hebben
jijzou geabduceerd hebben
hijzou geabduceerd hebben
wijzouden geabduceerd hebben
julliezouden geabduceerd hebben
zijzouden geabduceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijabduceer

Translations

  • abduct, to draw away from its ordinary position
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Coordinate term: circumduceren

    Etymology

    Borrowed from Latin abdūcere. See: Latin 'abdūcō'.

    Additional Information