Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: bestraffen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bestraffend
Past participle - Verleden deelwoord: bestraft
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | bestraf |
| jij | bestraft |
| hij | bestraft |
| wij | bestraffen |
| jullie | bestraffen |
| zij | bestraffen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bestraft |
| jij | hebt bestraft |
| hij | heeft bestraft |
| wij | hebben bestraft |
| jullie | hebben bestraft |
| zij | hebben bestraft |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bestrafte |
| jij | bestrafte |
| hij | bestrafte |
| wij | bestraften |
| jullie | bestraften |
| zij | bestraften |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bestraft |
| jij | had bestraft |
| hij | had bestraft |
| wij | hadden bestraft |
| jullie | hadden bestraft |
| zij | hadden bestraft |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bestraffen |
| jij | zult bestraffen |
| hij | zal bestraffen |
| wij | zullen bestraffen |
| jullie | zullen bestraffen |
| zij | zullen bestraffen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bestraft hebben |
| jij | zult bestraft hebben |
| hij | zal bestraft hebben |
| wij | zullen bestraft hebben |
| jullie | zullen bestraft hebben |
| zij | zullen bestraft hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bestraffen |
| jij | zou bestraffen |
| hij | zou bestraffen |
| wij | zouden bestraffen |
| jullie | zouden bestraffen |
| zij | zouden bestraffen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bestraft hebben |
| jij | zou bestraft hebben |
| hij | zou bestraft hebben |
| wij | zouden bestraft hebben |
| jullie | zouden bestraft hebben |
| zij | zouden bestraft hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'bestraffen'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'bestraffen'
afstraffen,
betreffen,
straffen,
beseffen,
bestrijden,
bestrooien,
betrappen,
aantreffen,
afschaffen,
afstoffen,
Translations
punish, to cause to suffer for crime or misconduct
Sample Sentences
-
[...] dezelve murmureren mogt; daar de Schepper allezins met Zijn schepsel handelen kon gelijk Zijne Alwijsheid goeddacht, en evenzeer mij, die Hem zoo dikwerf beleedigd had, naar zijn goedvinden kon bestraffen, en dat het mijn pligt was Hem te bidden en mij rustig aan de leiding der Voorzienigheid te onderwerpen.
(Robinson Crusoe)
-
Ik redekavelde dikwerf aldus met mij zelven: " Hoe weet ik wat Gods oordeel daaromtrent is ? Het is zeker, dat dit volk dit niet als eene misdaad beschouwt; hun geweten bestraft er hen niet over. Zij weten niet, dat het eene misdaad is, en bedrijven die niet in spijt der Goddelijke geregtigheid, gelijk wij onze zonden plegen. Zij achten het evenmin eene misdaad, een [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] veel minder mij tot uitvoerder der goddelijke geregtigheid op te werpen; want zoo God het goedvond zou Hij zelf hen straffen, en door rampen over hun geheele volk te brengen, de zonden des volks bestraffen; maar dit was geenszins eene taak, die mij toekwam. Wel is waar, in Vrijdag kon dit verschoonbaar zijn, omdat hij hun verklaarde vijand en als het ware in staat van oorlog met deze natie was; maar [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From be- + straffen.
Verbs referencing "bestraffen"
Swedish
bestraffa.
Additional Information