honoreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of honoreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: honoreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: honorerend
Past participle - Verleden deelwoord: gehonoreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhonoreer
jijhonoreert
hijhonoreert
wijhonoreren
julliehonoreren
zijhonoreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehonoreerd
jijhebt gehonoreerd
hijheeft gehonoreerd
wijhebben gehonoreerd
julliehebben gehonoreerd
zijhebben gehonoreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhonoreerde
jijhonoreerde
hijhonoreerde
wijhonoreerden
julliehonoreerden
zijhonoreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehonoreerd
jijhad gehonoreerd
hijhad gehonoreerd
wijhadden gehonoreerd
julliehadden gehonoreerd
zijhadden gehonoreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal honoreren
jijzult honoreren
hijzal honoreren
wijzullen honoreren
julliezullen honoreren
zijzullen honoreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehonoreerd hebben
jijzult gehonoreerd hebben
hijzal gehonoreerd hebben
wijzullen gehonoreerd hebben
julliezullen gehonoreerd hebben
zijzullen gehonoreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou honoreren
jijzou honoreren
hijzou honoreren
wijzouden honoreren
julliezouden honoreren
zijzouden honoreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehonoreerd hebben
jijzou gehonoreerd hebben
hijzou gehonoreerd hebben
wijzouden gehonoreerd hebben
julliezouden gehonoreerd hebben
zijzouden gehonoreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhonoreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French honoreren, from Latin honōrō. See: Latin 'honōrō'.

Additional Information