belonen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of belonen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: belonen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belonend
Past participle - Verleden deelwoord: beloond

Cognates

See the 6 cognates of belonen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeloon
jijbeloont
hijbeloont
wijbelonen
julliebelonen
zijbelonen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beloond
jijhebt beloond
hijheeft beloond
wijhebben beloond
julliehebben beloond
zijhebben beloond

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeloonde
jijbeloonde
hijbeloonde
wijbeloonden
julliebeloonden
zijbeloonden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beloond
jijhad beloond
hijhad beloond
wijhadden beloond
julliehadden beloond
zijhadden beloond

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal belonen
jijzult belonen
hijzal belonen
wijzullen belonen
julliezullen belonen
zijzullen belonen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beloond hebben
jijzult beloond hebben
hijzal beloond hebben
wijzullen beloond hebben
julliezullen beloond hebben
zijzullen beloond hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou belonen
jijzou belonen
hijzou belonen
wijzouden belonen
julliezouden belonen
zijzouden belonen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beloond hebben
jijzou beloond hebben
hijzou beloond hebben
wijzouden beloond hebben
julliezouden beloond hebben
zijzouden beloond hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeloon

Translations

  • requite, to repay, recompense, reward
  • reward, give a reward to
  • yield, to give way
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    betalen
    honoreren, vergoeden

    Sample Sentences

    • [...] naar de Spaansche kust te voeren; maar, dat als zij ter vergelding, als ik hen eens wapens in de hand had gegeven, mij met geweld naar hun eigen land voerden, mijne goedheid jegens hen slecht beloond worden, en ik er erger aan toe zijn zou dan vroeger. (Robinson Crusoe)
    • Het duurde echter eenige maanden, voor ik hiertoe besluiten kon, en na derhalve mijn voormaligen weldoener, den kapitein, voldoende en naar zijn genoegen beloond te hebben, begon ik aan de weduwe te denken, wier echtgenoot mijn eerste weldoener was geweest, en zij, zoo veel in hare magt was, mijne trouwe geldbewaarster. Het eerst wat ik dus deed was door een [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch belônen. Equivalent to be- + lonen.

    Verbs referencing "belonen"

    Swedish belöna.

    Additional Information