Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: beseffen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beseffend
Past participle - Verleden deelwoord: beseft
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | besef |
| jij | beseft |
| hij | beseft |
| wij | beseffen |
| jullie | beseffen |
| zij | beseffen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb beseft |
| jij | hebt beseft |
| hij | heeft beseft |
| wij | hebben beseft |
| jullie | hebben beseft |
| zij | hebben beseft |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | besefte |
| jij | besefte |
| hij | besefte |
| wij | beseften |
| jullie | beseften |
| zij | beseften |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had beseft |
| jij | had beseft |
| hij | had beseft |
| wij | hadden beseft |
| jullie | hadden beseft |
| zij | hadden beseft |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal beseffen |
| jij | zult beseffen |
| hij | zal beseffen |
| wij | zullen beseffen |
| jullie | zullen beseffen |
| zij | zullen beseffen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal beseft hebben |
| jij | zult beseft hebben |
| hij | zal beseft hebben |
| wij | zullen beseft hebben |
| jullie | zullen beseft hebben |
| zij | zullen beseft hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou beseffen |
| jij | zou beseffen |
| hij | zou beseffen |
| wij | zouden beseffen |
| jullie | zouden beseffen |
| zij | zouden beseffen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou beseft hebben |
| jij | zou beseft hebben |
| hij | zou beseft hebben |
| wij | zouden beseft hebben |
| jullie | zouden beseft hebben |
| zij | zouden beseft hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'beseffen'
aanbaffen,
aanbikken,
aanblikken,
aandikken,
aandrukken,
aaneenplakken,
aaneenstrikken,
aanfokken,
aankwakken,
aanlokken,
aanpakken,
aanpassen,
aanpikken,
aanplakken,
aanploffen,
aanprikken,
aanschaffen,
aansloffen,
aanstikken,
aanstoffen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'beseffen'
beffen,
betreffen,
baseren,
bedekken,
bedelen,
bedenken,
bederven,
begeren,
begeven,
beheren,
Sample Sentences
-
[...] jagt op kon doen maken. 2 Januarij. Ik ging derhalve den volgenden dag met mijn hond uit, en hitste hem op de geiten aan; maar ik had mij misrekend, want zij hielden stand tegen den hond, en deze besefte zijn gevaar, want hij durfde haar niet naderen.
(Robinson Crusoe)
-
[...] hoog en droog lag. Zoo ik volk bij mij gehad had, om deze boot te herstellen en te water te brengen, had dit wel kunnen geschieden, en ik er mede naar Brazilië teruggekeerd zijn; maar ik kon ligt beseffen, dat ik haar evenmin kon opheffen en omkeeren als het eiland zelf. Ik ging echter naar het bosch, en kapte hefboomen en rollen, en bragt die naar de boot, om te zien wat ik er mede zou kunnen doen, [...]
(Robinson Crusoe)
-
Deze gedachten deden mij de goedheid der Voorzienigheid jegens mij beseffen, en mij dankbaar zijn voor mijn tegenwoordigen toestand, met al zijne gevaren en ongemakken; en ik moet dus ook dit ernstig ter overweging aanbevelen aan hen, die in hunne ellende zeggen: " Is er [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch beseffen, from Old Dutch *biseffen, from bi- + *seffen. The latter part is from Proto-Germanic *sabjaną. See: Proto-Germanic '
*sabjaną'.
Verbs referencing "beseffen"
Afrikaans
besef.
Additional Information