betrappen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of betrappen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: betrappen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: betrappend
Past participle - Verleden deelwoord: betrapt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbetrap
jijbetrapt
hijbetrapt
wijbetrappen
julliebetrappen
zijbetrappen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb betrapt
jijhebt betrapt
hijheeft betrapt
wijhebben betrapt
julliehebben betrapt
zijhebben betrapt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbetrapte
jijbetrapte
hijbetrapte
wijbetrapten
julliebetrapten
zijbetrapten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad betrapt
jijhad betrapt
hijhad betrapt
wijhadden betrapt
julliehadden betrapt
zijhadden betrapt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal betrappen
jijzult betrappen
hijzal betrappen
wijzullen betrappen
julliezullen betrappen
zijzullen betrappen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal betrapt hebben
jijzult betrapt hebben
hijzal betrapt hebben
wijzullen betrapt hebben
julliezullen betrapt hebben
zijzullen betrapt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou betrappen
jijzou betrappen
hijzou betrappen
wijzouden betrappen
julliezouden betrappen
zijzouden betrappen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou betrapt hebben
jijzou betrapt hebben
hijzou betrapt hebben
wijzouden betrapt hebben
julliezouden betrapt hebben
zijzouden betrapt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbetrap

Translations

  • bust, (slang) to catch someone in the act of doing something wrong, socially and morally inappropriate, or illegal
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    pakken
    snappen, verrassen

    Sample Sentences

    • [...] had bekomen, want dat zij hem aan den nok van de ra konden zien hangen. Dat ik thans verlangde te weten of zij iets hadden bij te brengen, waarom ik hen niet, als zeeroovers, op heeterdaad betrapt, ter dood zou doen brengen, waartoe mijne aanstelling mij ontwijfelbaar regt gaf. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    Alongside older betrapen, from Middle Dutch betrapen (“to catch”). Equivalent to be- + trappen, with trappen in the now-obsolete sense "catch, trap". The reason for the single consonant and long vowel in Middle Dutch is unclear.

    Verbs referencing "betrappen"

    English betrap.

    Additional Information