samenvallen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of samenvallen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: samenvallen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: samenvallend
Past participle - Verleden deelwoord: samengevallen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikval samen
jijvalt samen
hijvalt samen
wijvallen samen
jullievallen samen
zijvallen samen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb samengevallen
jijhebt samengevallen
hijheeft samengevallen
wijhebben samengevallen
julliehebben samengevallen
zijhebben samengevallen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikviel samen
jijviel samen
hijviel samen
wijvielen samen
jullievielen samen
zijvielen samen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad samengevallen
jijhad samengevallen
hijhad samengevallen
wijhadden samengevallen
julliehadden samengevallen
zijhadden samengevallen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal samenvallen
jijzult samenvallen
hijzal samenvallen
wijzullen samenvallen
julliezullen samenvallen
zijzullen samenvallen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal samengevallen hebben
jijzult samengevallen hebben
hijzal samengevallen hebben
wijzullen samengevallen hebben
julliezullen samengevallen hebben
zijzullen samengevallen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou samenvallen
jijzou samenvallen
hijzou samenvallen
wijzouden samenvallen
julliezouden samenvallen
zijzouden samenvallen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou samengevallen hebben
jijzou samengevallen hebben
hijzou samengevallen hebben
wijzouden samengevallen hebben
julliezouden samengevallen hebben
zijzouden samengevallen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijval samen

Translations

  • coincide, to correspond
  • coincide, to occupy exactly the same space
  • coincide, to occur at the same time
  • respond, to correspond
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Als twee lijnen twee punten gemeen hebben, vallen ze samen. (If two lines have two points in common, such lines coincide.)

    Etymology

    From samen (“together”) + vallen (“to fall”).

    Additional Information