afhalen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afhalen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afhalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afhalend
Past participle - Verleden deelwoord: afgehaald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhaal af
jijhaalt af
hijhaalt af
wijhalen af
julliehalen af
zijhalen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgehaald
jijhebt afgehaald
hijheeft afgehaald
wijhebben afgehaald
julliehebben afgehaald
zijhebben afgehaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhaalde af
jijhaalde af
hijhaalde af
wijhaalden af
julliehaalden af
zijhaalden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgehaald
jijhad afgehaald
hijhad afgehaald
wijhadden afgehaald
julliehadden afgehaald
zijhadden afgehaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afhalen
jijzult afhalen
hijzal afhalen
wijzullen afhalen
julliezullen afhalen
zijzullen afhalen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgehaald hebben
jijzult afgehaald hebben
hijzal afgehaald hebben
wijzullen afgehaald hebben
julliezullen afgehaald hebben
zijzullen afgehaald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afhalen
jijzou afhalen
hijzou afhalen
wijzouden afhalen
julliezouden afhalen
zijzouden afhalen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgehaald hebben
jijzou afgehaald hebben
hijzou afgehaald hebben
wijzouden afgehaald hebben
julliezouden afgehaald hebben
zijzouden afgehaald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhaal af

Translations

  • withdraw, extract (money from an account)
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    halen
    ophalen
    afzetten
    verwijderen, weghalen

    Antonyms

    halen
    brengen, aangeven, aanreiken
    afzetten
    aanzetten, aandoen, aandraaien, inschakelen, starten

    Sample Sentences

    • [...] was. Ik had thans rondhouten, planken en ijzerwerk genoeg bijeen, om eene goede boot te bouwen, als ik maar geweten had, hoe; ook had ik op verschillende tijden bijkans honderd pond van de rol lood afgehaald. (Robinson Crusoe)
    • [...] Bijbel, een gezetten tijd driemalen daags; vervolgens ging ik met mijn geweer uit om voedsel te zoeken, hetwelk mij gewoonlijk drie uren elken morgen bezig hield, als het niet regende. Eindelijk het afhalen en braden van hetgeen ik geschoten of gevangen had, waarmede een groot deel van den dag verliep. Ook moet men bedenken, dat het op het midden van den dag te warm was om uit te gaan, zoodat ik [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] dien tijd van honger had moeten sterven, of zoo niet, hoe ik dan als een wilde had moeten leven, en zoo ik bij toeval mij van een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als een beest vaneen scheuren. (Robinson Crusoe)
    • [...] niet zeer fraai, waren zij toch zeer handig en gemakkelijk, om er goederen in te bewaren, of die naar huis te dragen. Als ik bij voorbeeld, eene geit geschoten had, kon ik die aan eenen boom hangen, afhalen, aan stukken snijden, en dan in eene mand naar huis dragen, en even zoo als ik eene schildpad aantrof, kon ik die opensnijden, de eijeren er uithalen, met een paar stukken vleesch, waaraan ik genoeg [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afhalen. Equivalent to af + halen.

    Verbs referencing "afhalen"

    French affaler.

    Additional Information