Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: afhalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afhalend
Past participle - Verleden deelwoord: afgehaald
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | haal af |
| jij | haalt af |
| hij | haalt af |
| wij | halen af |
| jullie | halen af |
| zij | halen af |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgehaald |
| jij | hebt afgehaald |
| hij | heeft afgehaald |
| wij | hebben afgehaald |
| jullie | hebben afgehaald |
| zij | hebben afgehaald |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | haalde af |
| jij | haalde af |
| hij | haalde af |
| wij | haalden af |
| jullie | haalden af |
| zij | haalden af |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgehaald |
| jij | had afgehaald |
| hij | had afgehaald |
| wij | hadden afgehaald |
| jullie | hadden afgehaald |
| zij | hadden afgehaald |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afhalen |
| jij | zult afhalen |
| hij | zal afhalen |
| wij | zullen afhalen |
| jullie | zullen afhalen |
| zij | zullen afhalen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgehaald hebben |
| jij | zult afgehaald hebben |
| hij | zal afgehaald hebben |
| wij | zullen afgehaald hebben |
| jullie | zullen afgehaald hebben |
| zij | zullen afgehaald hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afhalen |
| jij | zou afhalen |
| hij | zou afhalen |
| wij | zouden afhalen |
| jullie | zouden afhalen |
| zij | zouden afhalen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgehaald hebben |
| jij | zou afgehaald hebben |
| hij | zou afgehaald hebben |
| wij | zouden afgehaald hebben |
| jullie | zouden afgehaald hebben |
| zij | zouden afgehaald hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'afhalen'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'afhalen'
afdalen,
afhaken,
afmalen,
afpalen,
aanhalen,
afdwalen,
affolen,
afhakken,
afhangen,
afharken,
Translations
withdraw, extract (money from an account)
Sample Sentences
-
[...] was. Ik had thans rondhouten, planken en ijzerwerk genoeg bijeen, om eene goede boot te bouwen, als ik maar geweten had, hoe; ook had ik op verschillende tijden bijkans honderd pond van de rol lood afgehaald.
(Robinson Crusoe)
-
[...] Bijbel, een gezetten tijd driemalen daags; vervolgens ging ik met mijn geweer uit om voedsel te zoeken, hetwelk mij gewoonlijk drie uren elken morgen bezig hield, als het niet regende. Eindelijk het afhalen en braden van hetgeen ik geschoten of gevangen had, waarmede een groot deel van den dag verliep. Ook moet men bedenken, dat het op het midden van den dag te warm was om uit te gaan, zoodat ik [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] dien tijd van honger had moeten sterven, of zoo niet, hoe ik dan als een wilde had moeten leven, en zoo ik bij toeval mij van een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als een beest vaneen scheuren.
(Robinson Crusoe)
-
[...] niet zeer fraai, waren zij toch zeer handig en gemakkelijk, om er goederen in te bewaren, of die naar huis te dragen. Als ik bij voorbeeld, eene geit geschoten had, kon ik die aan eenen boom hangen, afhalen, aan stukken snijden, en dan in eene mand naar huis dragen, en even zoo als ik eene schildpad aantrof, kon ik die opensnijden, de eijeren er uithalen, met een paar stukken vleesch, waaraan ik genoeg [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch afhalen. Equivalent to af + halen.
Verbs referencing "afhalen"
French
affaler.
Additional Information