opvallen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opvallen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opvallen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opvallend
Past participle - Verleden deelwoord: opgevallen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikval op
jijvalt op
hijvalt op
wijvallen op
jullievallen op
zijvallen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben opgevallen
jijbent opgevallen
hijis opgevallen
wijzijn opgevallen
julliezijn opgevallen
zijzijn opgevallen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikviel op
jijviel op
hijviel op
wijvielen op
jullievielen op
zijvielen op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas opgevallen
jijwas opgevallen
hijwas opgevallen
wijwaren opgevallen
julliewaren opgevallen
zijwaren opgevallen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opvallen
jijzult opvallen
hijzal opvallen
wijzullen opvallen
julliezullen opvallen
zijzullen opvallen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgevallen zijn
jijzult opgevallen zijn
hijzal opgevallen zijn
wijzullen opgevallen zijn
julliezullen opgevallen zijn
zijzullen opgevallen zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opvallen
jijzou opvallen
hijzou opvallen
wijzouden opvallen
julliezouden opvallen
zijzouden opvallen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgevallen zijn
jijzou opgevallen zijn
hijzou opgevallen zijn
wijzouden opgevallen zijn
julliezouden opgevallen zijn
zijzouden opgevallen zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijval op

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

frapperen
treffen

Sample Sentences

  • Hij valt graag op. (He likes to stand out.)
  • Het was me niet opgevallen. (I didn't notice.)

Etymology

From op + vallen.

Additional Information