afdalen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afdalen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afdalen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afdalend
Past participle - Verleden deelwoord: afgedaald

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdaal af
jijdaalt af
hijdaalt af
wijdalen af
julliedalen af
zijdalen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgedaald
jijhebt afgedaald
hijheeft afgedaald
wijhebben afgedaald
julliehebben afgedaald
zijhebben afgedaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdaalde af
jijdaalde af
hijdaalde af
wijdaalden af
julliedaalden af
zijdaalden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgedaald
jijhad afgedaald
hijhad afgedaald
wijhadden afgedaald
julliehadden afgedaald
zijhadden afgedaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afdalen
jijzult afdalen
hijzal afdalen
wijzullen afdalen
julliezullen afdalen
zijzullen afdalen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgedaald hebben
jijzult afgedaald hebben
hijzal afgedaald hebben
wijzullen afgedaald hebben
julliezullen afgedaald hebben
zijzullen afgedaald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afdalen
jijzou afdalen
hijzou afdalen
wijzouden afdalen
julliezouden afdalen
zijzouden afdalen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgedaald hebben
jijzou afgedaald hebben
hijzou afgedaald hebben
wijzouden afgedaald hebben
julliezouden afgedaald hebben
zijzouden afgedaald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdaal af

Translations

  • descend, to pass from a higher to a lower place
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afgaan
    aflopen, afzakken
    afstappen
    afstijgen
    afstijgen
    aflopen, neerdalen
    dalen
    neerdalen, omlaaggaan, zakken, zinken

    Antonyms

    dalen
    stijgen, klimmen, omhooggaan, toenemen

    Sample Sentences

    • [...] uren achtereen zoo hevig sneeuwde, dat wij stil moesten houden, doch hij stelde ons gerust en verzekerde, dat wij spoedig alles te boven zouden zijn. Inderdaad vonden wij elken dag, dat wij afdaalden, en dus trokken wij, in vertrouwen op onzen gids, voort. (Robinson Crusoe)
    • De grond bleef nog met sneeuw bedekt, schoon niet zoo diep en gevaarlijk als op het gebergte, en de wolven waren, gelijk wij naderhand hoorden, door den honger gedreven tot in de vlakte afgedaald, en hadden in de dorpen veel kwaads gedaan, schapen en paarden en ook eenige menschen gedood. Wij moesten nog eene gevaarlijke engte door, waar wij, gelijk onze gids zeide, zoo er nog wolven in die [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afdalen. Equivalent to af + dalen.

    Additional Information