afstaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afstaan

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afstaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afstaand
Past participle - Verleden deelwoord: afgestaan

Cognates

See the 3 cognates of afstaan

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksta af
jijstaat af
hijstaat af
wijstaan af
julliestaan af
zijstaan af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgestaan
jijhebt afgestaan
hijheeft afgestaan
wijhebben afgestaan
julliehebben afgestaan
zijhebben afgestaan

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstond af
jijstond af
hijstond af
wijstonden af
julliestonden af
zijstonden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgestaan
jijhad afgestaan
hijhad afgestaan
wijhadden afgestaan
julliehadden afgestaan
zijhadden afgestaan

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afstaan
jijzult afstaan
hijzal afstaan
wijzullen afstaan
julliezullen afstaan
zijzullen afstaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgestaan hebben
jijzult afgestaan hebben
hijzal afgestaan hebben
wijzullen afgestaan hebben
julliezullen afgestaan hebben
zijzullen afgestaan hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afstaan
jijzou afstaan
hijzou afstaan
wijzouden afstaan
julliezouden afstaan
zijzouden afstaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgestaan hebben
jijzou afgestaan hebben
hijzou afgestaan hebben
wijzouden afgestaan hebben
julliezouden afgestaan hebben
zijzouden afgestaan hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsta af

Translations

  • yield, to give way
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    geven
    aanbieden, schenken
    laten
    overlaten
    offeren
    schenken
    opofferen
    prijsgeven
    overdoen
    verkopen

    Sample Sentences

    • [...] er mij daar meer voor wilde geven, zou hij mij haar terug geven. Hij bood mij ook nog 60 stukken van achten voor den knaap, Xury. Ik had hier veel tegen, niet dat ik hem niet aan den kapitein wilde afstaan, maar ik had een weêrzin om de vrijheid van den armen knaap te verkoopen, die mij zoo trouw geholpen had, de mijne te herkrijgen. Toen ik den kapitein mijne redenen zeide, billijkte hij die [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afstaen. Equivalent to af + staan.

    Verbs referencing "afstaan"

    English offstand.

    Additional Information