afslaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afslaan

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afslaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afslaand
Past participle - Verleden deelwoord: afgeslagen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksla af
jijslaat af
hijslaat af
wijslaan af
jullieslaan af
zijslaan af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeslagen
jijhebt afgeslagen
hijheeft afgeslagen
wijhebben afgeslagen
julliehebben afgeslagen
zijhebben afgeslagen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksloeg af
jijsloeg af
hijsloeg af
wijsloegen af
julliesloegen af
zijsloegen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeslagen
jijhad afgeslagen
hijhad afgeslagen
wijhadden afgeslagen
julliehadden afgeslagen
zijhadden afgeslagen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afslaan
jijzult afslaan
hijzal afslaan
wijzullen afslaan
julliezullen afslaan
zijzullen afslaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeslagen hebben
jijzult afgeslagen hebben
hijzal afgeslagen hebben
wijzullen afgeslagen hebben
julliezullen afgeslagen hebben
zijzullen afgeslagen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afslaan
jijzou afslaan
hijzou afslaan
wijzouden afslaan
julliezouden afslaan
zijzouden afslaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeslagen hebben
jijzou afgeslagen hebben
hijzou afgeslagen hebben
wijzouden afgeslagen hebben
julliezouden afgeslagen hebben
zijzouden afgeslagen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsla af

Translations

  • refuse, ''(transitive)'' decline (request, demand)
  • stall, to come to a standstill
  • turn, to change one's direction of travel
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    ophouden
    stoppen
    afkalven
    losslaan, wegspoelen
    afkloppen
    trotseren, weerstaan, wegslaan
    afwijzen
    weigeren

    Antonyms

    afwijzen
    accepteren, dulden, nemen, pikken, verdragen

    Sample Sentences

    • [...] waren; waarna wij twee rivieren overtrokken en de vlakte bereikt hebbende, ons wederom in een warm klimaat en aangename landstreek bevonden, waar geen sneeuw te zien was; maar plotseling links afslaande, naderde hij het gebergte langs een anderen weg, en schoon de hoogten en afgronden verschrikkelijk zich vertoonden, maakte hij zooveel bogten en wendingen, dat hij ons zonder het te weten over de [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afslaen. Equivalent to af + slaan.

    Additional Information