Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: aangaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aangaand
Past participle - Verleden deelwoord: aangegaan
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | ga aan |
| jij | gaat aan |
| hij | gaat aan |
| wij | gaan aan |
| jullie | gaan aan |
| zij | gaan aan |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | ben aangegaan |
| jij | bent aangegaan |
| hij | is aangegaan |
| wij | zijn aangegaan |
| jullie | zijn aangegaan |
| zij | zijn aangegaan |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | ging aan |
| jij | ging aan |
| hij | ging aan |
| wij | gingen aan |
| jullie | gingen aan |
| zij | gingen aan |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | was aangegaan |
| jij | was aangegaan |
| hij | was aangegaan |
| wij | waren aangegaan |
| jullie | waren aangegaan |
| zij | waren aangegaan |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal aangaan |
| jij | zult aangaan |
| hij | zal aangaan |
| wij | zullen aangaan |
| jullie | zullen aangaan |
| zij | zullen aangaan |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal aangegaan zijn |
| jij | zult aangegaan zijn |
| hij | zal aangegaan zijn |
| wij | zullen aangegaan zijn |
| jullie | zullen aangegaan zijn |
| zij | zullen aangegaan zijn |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou aangaan |
| jij | zou aangaan |
| hij | zou aangaan |
| wij | zouden aangaan |
| jullie | zouden aangaan |
| zij | zouden aangaan |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou aangegaan zijn |
| jij | zou aangegaan zijn |
| hij | zou aangegaan zijn |
| wij | zouden aangegaan zijn |
| jullie | zouden aangegaan zijn |
| zij | zouden aangegaan zijn |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'aangaan'
aangaan,
achtergaan,
achternagaan,
achteruitgaan,
afgaan,
begaan,
doorgaan,
gaan,
heengaan,
ingaan,
nagaan,
omgaan,
ondergaan,
ontgaan,
opgaan,
overgaan,
rondgaan,
toegaan,
uitgaan,
vergaan, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'aangaan'
aanslaan,
aanstaan,
afgaan,
ingaan,
nagaan,
aandoen,
aangeven,
aanhaken,
aanhalen,
aanjagen,
Translations
Sample Sentences
-
[...] of geheele troepen, schoon zij geen weerstand boden, kwartier weigerden en ze over de kling joegen. Vervolgens bedacht ik, dat ofschoon hun gebruik beestachtig en barbaarsch was, het mij echter niet aanging; dat zij mij geenszins kwaad gedaan hadden; dat het welligt verschoonbaar was als zij mij aanvielen, of als ik het tot mijn behoud noodig achtte hen te overvallen; maar dat ik voor als nog buiten [...]
(Robinson Crusoe)
-
Ik vond, dat het niet zoo gemakkelijk ging hem juiste denkbeelden in te prenten, aangaande den duivel, als aangaande den aard en het wezen der Godheid. De geheele natuur was mij behulpzaam in mijne bewijzen voor het noodwendig bestaan van eene eerste oorzaak, een onbegrijpelijke, [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] en hij schier alles verstaan kon wat ik tot hem zeide, en mij vloeijend, ofschoon in gebroken Engelsch, antwoorden, verhaalde ik hem mijne eigene geschiedenis; althans wat mijne komst alhier aangaat, hoe ik hier huis gehouden had en hoe lang. Ik leerde hem het geheim (want dit was het voor hem ) van kruid en lood en hoe hij een geweer afschieten moest. Ik gaf hem een mes, waarmede hij zeer in [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] zien. " Zij gingen daarop met mij terug tot de boomen, om voor hen verborgen te zijn. " Nu, mijnheer, " zeide ik, " als ik het waag u te bevrijden, zult gij dan twee voorwaarden met mij willen aangaan ? " Hij kwam mijn voorstel voor door mij te verzekeren, dat hij en zijn schip, als hij bevrijd werd, geheel tot mijn bevel, en volkomen tot mijne beschikking waren, en dat zoo het schip niet weder [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] best oordeelde, dat ik en mijn knecht Vrijdag niet medegingen, omdat zij zeven man hier achterlieten en wij genoeg te doen hadden met hen gescheiden te houden en van levensmiddelen te voorzien. Wat aangaat de vijf man in de grot, ik besloot hen daar te houden, en Vrijdag ging tweemaal des daags hun levensmiddelen brengen. De twee andere gevangenen droegen de leeftogt een eind weegs en dan nam Vrijdag [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch āengâan, from Old Dutch anagān. Equivalent to aan + gaan. Compare German angehen. See: German, old spelling '
angehen'.
Verbs referencing "aangaan"
Swedish
angå, German, old spelling
angehen, Alemannic German
aagaa, English
ongo.
Additional Information