aantrekken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aantrekken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aantrekken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aantrekkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangetrokken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrek aan
jijtrekt aan
hijtrekt aan
wijtrekken aan
jullietrekken aan
zijtrekken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangetrokken
jijhebt aangetrokken
hijheeft aangetrokken
wijhebben aangetrokken
julliehebben aangetrokken
zijhebben aangetrokken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrok aan
jijtrok aan
hijtrok aan
wijtrokken aan
jullietrokken aan
zijtrokken aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangetrokken
jijhad aangetrokken
hijhad aangetrokken
wijhadden aangetrokken
julliehadden aangetrokken
zijhadden aangetrokken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aantrekken
jijzult aantrekken
hijzal aantrekken
wijzullen aantrekken
julliezullen aantrekken
zijzullen aantrekken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangetrokken hebben
jijzult aangetrokken hebben
hijzal aangetrokken hebben
wijzullen aangetrokken hebben
julliezullen aangetrokken hebben
zijzullen aangetrokken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aantrekken
jijzou aantrekken
hijzou aantrekken
wijzouden aantrekken
julliezouden aantrekken
zijzouden aantrekken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangetrokken hebben
jijzou aangetrokken hebben
hijzou aangetrokken hebben
wijzouden aangetrokken hebben
julliezouden aangetrokken hebben
zijzouden aangetrokken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrek aan

Translations

  • appeal, to be attractive
  • attract, pull without touching
  • attract, cause sexual excitement
  • bait, to attract with bait
  • don, put on clothes
  • draw, to attract
  • entice, to lure; to attract by arousing desire or hope
  • lure, to entice
  • magnetize, to attract
  • tease, to entice
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanlokken
    bevallen
    aandoen
    omdoen

    Antonyms

    aandoen
    uitdoen, afleggen, uittrekken

    Sample Sentences

    • [...] geschenk, gelijk men ligt denken kan, maar nimmer viel een ding in de wereld mij zoo onaangenaam en ongemakkelijk, of ging mij zoo linksch af, als het dragen van die kleederen, toen ik ze pas aangetrokken had. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch aentrecken. Equivalent to aan (“to, on”) + trekken (“to pull”).

    Additional Information