voltrekken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voltrekken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voltrekken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voltrekkend
Past participle - Verleden deelwoord: voltrokken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoltrek
jijvoltrekt
hijvoltrekt
wijvoltrekken
jullievoltrekken
zijvoltrekken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voltrokken
jijhebt voltrokken
hijheeft voltrokken
wijhebben voltrokken
julliehebben voltrokken
zijhebben voltrokken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoltrok
jijvoltrok
hijvoltrok
wijvoltrokken
jullievoltrokken
zijvoltrokken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voltrokken
jijhad voltrokken
hijhad voltrokken
wijhadden voltrokken
julliehadden voltrokken
zijhadden voltrokken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voltrekken
jijzult voltrekken
hijzal voltrekken
wijzullen voltrekken
julliezullen voltrekken
zijzullen voltrekken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voltrokken hebben
jijzult voltrokken hebben
hijzal voltrokken hebben
wijzullen voltrokken hebben
julliezullen voltrokken hebben
zijzullen voltrokken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voltrekken
jijzou voltrekken
hijzou voltrekken
wijzouden voltrekken
julliezouden voltrekken
zijzouden voltrekken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voltrokken hebben
jijzou voltrokken hebben
hijzou voltrokken hebben
wijzouden voltrokken hebben
julliezouden voltrokken hebben
zijzouden voltrokken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoltrek

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hedenmorgen is het doodsvonnis voltrokken. (This morning the death sentence was executed.)
  • Er was een ramp bezig zich te voltrekken in New Orleans. (A disaster was taking place in New Orleans.)

Etymology

From Middle Dutch voltrecken (14th c.), probably after Middle High German volleziehen, from Old High German follaziohan (8th c.), whence German vollziehen. Equivalent to vol- + trekken. See: Middle High German 'volleziehen', Old High German 'follaziohan', German, old spelling 'vollziehen'.

Verbs referencing "voltrekken"

German, old spelling vollziehen.

Additional Information