vrijlaten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vrijlaten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vrijlaten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vrijlatend
Past participle - Verleden deelwoord: vrijgelaten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklaat vrij
jijlaat vrij
hijlaat vrij
wijlaten vrij
jullielaten vrij
zijlaten vrij

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb vrijgelaten
jijhebt vrijgelaten
hijheeft vrijgelaten
wijhebben vrijgelaten
julliehebben vrijgelaten
zijhebben vrijgelaten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikliet vrij
jijliet vrij
hijliet vrij
wijlieten vrij
jullielieten vrij
zijlieten vrij

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad vrijgelaten
jijhad vrijgelaten
hijhad vrijgelaten
wijhadden vrijgelaten
julliehadden vrijgelaten
zijhadden vrijgelaten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vrijlaten
jijzult vrijlaten
hijzal vrijlaten
wijzullen vrijlaten
julliezullen vrijlaten
zijzullen vrijlaten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal vrijgelaten hebben
jijzult vrijgelaten hebben
hijzal vrijgelaten hebben
wijzullen vrijgelaten hebben
julliezullen vrijgelaten hebben
zijzullen vrijgelaten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vrijlaten
jijzou vrijlaten
hijzou vrijlaten
wijzouden vrijlaten
julliezouden vrijlaten
zijzouden vrijlaten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou vrijgelaten hebben
jijzou vrijgelaten hebben
hijzou vrijgelaten hebben
wijzouden vrijgelaten hebben
julliezouden vrijgelaten hebben
zijzouden vrijgelaten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlaat vrij

Translations

  • release, to free or liberate
  • relinquish, to let go, physically release
  • unleash, to free from a leash
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bevrijden
    ontzetten
    loslaten
    vasthouden, beethouden, omklemmen
    ontslaan
    ontheffen, vrijstellen

    Antonyms

    bevrijden
    gevangennemen, arresteren, inrekenen, pakken, vastzetten

    Sample Sentences

    • [...] redenen zeide, billijkte hij die volkomen, en bood mij, als een middel om alles te vereffenen, aan, den knaap eene verbindtenis te geven, dat hij hem, zoo hij Christen werd, binnen tien jaren zou vrijlaten. Daar Xury zeide, dat hij hiermede tevreden was, stond ik hem aan den kapitein af. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch vrilaten. Equivalent to vrij (“free”) + laten (“to let”).

    Additional Information